Glas: spiegelglas
Spiegelglas is gegoten blankglas dat vanaf 1688 in Frankrijk werd vervaardigd met als voornaamste toepassing het maken van spiegels.
Betekenis
Spiegelglas is een type blank glas dat door uitgieten (gietprocédé) op een vlakke ondergrond werd vervaardigd en nadien geslepen en gepolijst om een reflecterende spiegelplaat te verkrijgen. Het onderscheidt zich van vensterglas door de productiewijze, de grotere afmetingen en de grotere dikte die nodig was voor het slijp- en polijstwerk.
Toepassing
Spiegelglas werd primair toegepast voor:
- het vervaardigen van grote spiegelplaten voor interieurbekleding en representatieve ruimten;
- glaspanelen voor rijtuigen en koetsen die betere kwaliteit vergden dan gewoon vensterglas;
- decoratieve toepassingen in paleizen en landhuizen waar grotere, vlakke spiegels gewenst waren.
Aandachtspunten
- Productie was arbeidsintensief: het gegoten glas moest ongeveer tien dagen uitharden voordat verdere bewerking mogelijk was.
- Slijpen en polijsten vergde veel tijd: twee slijpers waren ongeveer een maand bezig met het beiden zijden slijpen van een plaat van circa 2 x 1 m; daaropvolgend moesten twee polijsters grofweg twaalf dagen polijsten.
- De platen waren aanvankelijk aanzienlijk dikker dan vensterglas om slijpen en polijsten mogelijk te maken.
- De standaardformaat van vroeg gegoten spiegelglas was ongeveer 2 x 1 m, met latere toename van de afmetingen.
- Rond 1959 werden zowel vensterglas als spiegelglas grotendeels vervangen door floatglas.
Historie
- Sinds 1317 werden in Venetië al kleine spiegels, de zogenoemde 'lustri', gemaakt; in de 16e eeuw bereikten Venetiaanse cilindergeblazen spiegels afmetingen van circa 100 x 80 cm.
- In 1665 stichtte Lodewijk XIV in Tourlaville de fabriek La Manufacture Royale des Glaces en liet er Venetiaanse glasblazers werken om de afhankelijkheid van Venetiaanse import te verminderen; in de Spiegelzaal van Versailles zijn voorbeelden van die spiegels te zien (voltooid in 1682).
- In 1688 werden in Frankrijk voor het eerst glasplaten volgens het gietprocédé vervaardigd met het oog op spiegelproductie; in december 1688 kreeg Abraham Thévart een patent (monopolie) om volgens dat procédé glas te produceren.
- Een fabriek die met het gietprocédé begon in Parijs in 1688 verhuisde in 1692 naar Saint-Gobain in Picardië.
- Ongeveer drie eeuwen lang bestonden naast elkaar vensterglas en spiegelglas, totdat beide productiewijzen grotendeels zijn verdrongen door floatglas (uitgevonden in 1959).
Productieproces
- Uitgieten: vloeibaar glas werd op een vlakke tafel uitgegoten en vervolgens uitgewalst en langzaam afgekoeld om vlakke platen te verkrijgen.
- Nabewerking: het gegoten glas was in eerste instantie niet transparant; slijpen en polijsten waren nodig om een heldere, vlakke spiegelplaat te verkrijgen.
- Voordeel van het gietprocédé: grotere en vlakker te vervaardigen platen dan bij cilinderblazen; nadelen betroffen de lange fabricagetijd en de arbeidsintensieve nabewerkingen.