Brug
Een brug is een beweegbare, vaste of drijvende verbinding voor verkeer tussen twee punten die door water of anderszins gescheiden zijn.
Betekenis
Een brug verbindt twee punten die door water, een dal of een andere belemmering gescheiden zijn en draagt verkeer zoals voertuigen, treinen, voetgangers of vee. De constructie moet overspanning mogelijk maken, voldoende draagkracht en stijfheid bieden en veilig en duurzaam functioneren onder wisselende belastingen en weersinvloeden.
Toepassing
Bruggen worden toegepast waar een doorgang of doorvaart vereist is.
- Overspanning van rivieren, dalen of wegen
- Verbinding voor auto's, treinen/trams, voetgangers, fietsers en dieren
- Specifieke toepassing als aquaduct wanneer de brug boten draagt
- Tijdelijke of permanente verbindingen (bijv. ponton- of vlotbruggen voor tijdelijk gebruik)
Aandachtspunten
- Zorg voor voldoende vrije ruimte onder de brug voor doorvaart of doorgang.
- Ontwerp pijlers en overspanning voor de verwachte belastingen en ongelijke belastingstoestanden.
- Voorzie voldoende stijfheid om trillingen en resonantie te voorkomen (denk aan de ramp met de Tacoma‑brug).
- Houd rekening met thermische uitzetting en krimp; pijlers moeten bestand zijn tegen stroming en kruiend ijs.
- Bescherm materialen tegen corrosie en verrotting; voor onderhoud worden opdrachten soms gegund met lange onderhoudsperiodes (bijv. 30 jaar onder DBFM‑constructies).
- Voorzie veiligheidsvoorzieningen zoals hekwerken, toegangsregeling bij beweegbare delen en veilige onderhoudsoplossingen.
Soorten bruggen
Een gangbare indeling onderscheidt beweegbare, vaste en drijvende bruggen.
Beweegbare bruggen (bewegend wegdek om doorvaart mogelijk te maken), onder meer:
- basculebrug (varianten: rolbasculebrug, straussbrug, staartbrug)
- draaibrug
- hefbrug
- kantelbrug
- ophaalbrug (klapbrug, valbrug, wipbrug)
- opvouwbare brug (vouwbrug)
- rolbrug
- tafelbrug
Vaste bruggen (hoog genoeg voor doorvaart of zonder doorvaartseis), onder meer:
- balkbrug
- boogbrug (boog boven of door het wegdek; boog onder het wegdek)
- cantileverbrug (kraagliggerbrug, gerberliggerbrug)
- ezelsrugbrug
- hangbrug
- kettingbrug (touwbrug)
- knuppelbrug
- kokerliggerbrug (soort ligger/balkbrug)
- plaatliggerbrug
- tuibrug (waaierbrug, harpbrug)
- vakwerkbrug (verschillende typen met verticalen en diagonalen)
- vierendeelbrug
- vlechtbrug
- takkenbrug
- kwakel, lianenbrug (regionale benamingen/typen)
Drijfbruggen (op het water liggend, vaak tijdelijk), onder meer:
- baileybrug (eenvoudige vakwerkbrug, vaak als pontonbrug)
- ijsbrug (zeer dik ijs als brug)
- vlotbrug
- pontonbrug (schipbrug)
Overspanning
- Voor grotere overspanningen zijn combinaties van vaste en beweegbare delen mogelijk (voorbeeld: Erasmusbrug in Rotterdam).
- Dubbel ruimtegebruik komt voor, bijvoorbeeld bebouwing op een brug (Ponte Vecchio in Florence).
- Sommige bruggen hebben extreem hoge pijlers; de tuibrug over het dal van Millau heeft pijlers tot 343 m hoogte.
Lastenverdeling
Bruggen moeten het verkeer op correcte wijze ondersteunen; de draagkracht en de wijze van lastoverdracht variëren per brugtype. Bij het ontwerp wordt rekening gehouden met de verkeersbelasting, ongelijke belastingstoestanden en de transmissie van lasten naar pijlers en fundering.