Gevelplint

Een gevelplint is de beschermende afwerking aan de voet van een gebouw die opspattend vuil, (regen)water en mos tegengaat.

Betekenis

Een gevelplint bevindt zich aan de voet van een gevel en beschermt het onderste deel van het gebouw tegen opspattend vuil, hemelwater, mosvorming en de effecten van vorst. De plint kan in hetzelfde vlak als de gevel liggen of iets vooruit steken; bij vooruitstekende plinten wordt de bovenzijde vaak afgeschuind of voorzien van een waterslag.

Toepassing

De gevelplint wordt toegepast aan de onderzijde van gevels.

  • Beschermen van het gebouw tegen opspattend hemelwater, vuil en mos.
  • Esthetische afwerking en karakterverlening van de gevel.
  • Camoufleren van onvolkomenheden onderaan de gevel.
  • Thermische isolatie van de voet van het gebouw bij gebruik van geïsoleerde composietplinten.
  • Bescherming tegen indringen van hoog water of optrekkend vocht (in combinatie met waterdichte uitvoeringen of cement/trasramen).

Aandachtspunten

  • Voorkom dat de plint te hoog wordt doorgetrokken; dat geeft een afwijkend uiterlijk.
  • Plaats de plint niet te laag om spatten boven de plint te vermijden.
  • Neem de plint mee bij buitenisolatie van de gevel om vuil en nat worden van de nieuwe bekleding te voorkomen.
  • Zorg voor volledige (volvlak) verlijming van natuursteen of plaatmateriaal en gebruik een voorstrijkmiddel op zowel gevel als plaat om vochtdoorslag en natte plekken te vermijden; puntgewijze bevestiging leidt na regen vaak tot aftekening.
  • Hou rekening met beperkte afmetingen van natuursteendelen; nauwkeurige afwerking is vereist.

Materialen / uitvoeringsvormen

  • Natuursteen: hardsteen/blauwe steen, soms arduin; zeer duurzaam en met karakterverschillen tussen delen.
  • Beton.
  • Composiet: Holonite (verkrijgbaar in ongeïsoleerde en geïsoleerde uitvoeringen).
  • Kunststeen: Styrock (ongeïsoleerd en geïsoleerd mogelijk).
  • Pleisterwerk: cementgebonden of kunststofgebonden pleister, glad of met fijne/grove korrel; mogelijk te verwerken als granietpleister.
  • Cementgebonden sandwichplaten met een kern van polystyreen.
  • Cortenstaal (soms toegepast).
  • Hout wordt doorgaans niet als gevelplint gebruikt bij houten gevels wegens vochtinwerking; alternatieven zijn natuursteen, pleisterwerk of baksteen als onderzijde.

Uitvoering

  • Bij enigszins vooruitstekende plinten wordt de bovenzijde vaak afgeschuind als waterslag; soms wordt een aluminium waterslag aangebracht, mits passend bij het materiaal van de plint en de rest van de gevel.
  • De voetlijst of plintband vormt de overgang van plint naar metselwerk en kan eenvoudig zijn of als waterslag uitgevoerd worden.
  • Achterzijde van natuursteen of plaatmateriaal voldoende insmeren met specie of lijm (volvlak) en gebruik van voorstrijkmiddel om doorslag te voorkomen.
  • Pleisterwerk is goedkoper en gemakkelijker te herstellen dan natuursteen, maar kan gevoeliger zijn voor beschadiging en onderhoud, zeker bij afwerking met korrels.

Overwegingen

  • Een kleurcontrasterende plint kan esthetisch interessant zijn, maar eerst visueel controleren (bijvoorbeeld digitaal) om een goedkoop of clownesk effect te vermijden.
  • Natuursteenplinten hebben een lange levensduur maar vereisen zorg bij vervanging wegens unieke karakterverschillen; pleisterplinten zijn makkelijker in kleur en herstel.
  • Voor bescherming tegen optrekkend vocht en hoge waterstanden kunnen waterdichte materialen of verbindingen met cementraam/trasraam overwogen worden.
  • Voor specifieke afwerkingen bestaan voorbeelden zoals granietpleister (bijv. Granicoat) die in donkere kleur voor trasraam/gevelplint toegepast kan worden.