Glas: productie van glas
Historisch werd glas gemaakt door grondstoffen te smelten in verschillende oventypes en het gesmolten glas met een blaaspijp te vormen tot ruitjes of cilinders.
Betekenis
Glasproductie is het proces waarbij geschikte grondstoffen worden verhit tot een smeltpunt om een kneedbare glasmassa te verkrijgen die nadien gevormd wordt. Traditioneel gebeurde de vorming door te blazen met een blaaspijp; verschillende typen smeltovens bepaalden temperatuur, verbranding en arbeidsomstandigheden.
Toepassing
Glasproductie diende voor de vervaardiging van vensterglas en andere ruiten en cilindervormen.
- Vormen van glasruiten door blaastechnieken.
- Fabricage van glascilinders (onder meer van circa twee meter lengte).
- Smelten van grondstoffen in kuilovens, potovens en later roosterovens.
Aandachtspunten
- Temperatuur: kuilovens circa 600–700 °C; potovens circa 1500 °C; bij blaaswerk werden vaak 1300–1500 °C bereikt.
- Arbeidsomstandigheden: sterke hitte, uitdroging, kwartsstof en rook (ook bij potasproductie).
- Arbeidsorganisatie: het werk was zeer zwaar; glasblazers verdienden vier- tot zesmaal meer dan ongeschoolde krachten en konden ongeveer 40 cilinders per acht uur blazen.
- Mechanisatie in de 19e eeuw verminderde de zware handarbeid.
Glasblazer
Het blazen van glas was een zwaar en gezondheidsgeschraagd beroep door hoge temperaturen en stof- en rookbelasting.
- Gewicht: de blaaspijp met daaraan het te blazen glas kon ongeveer 25 kg wegen.
- Arbeidsverdeling: start als 'glaskrullenjongen', gevolgd door leerling (blaaspijp vasthouden en klomp aanbrengen), gezel of voorblazer (omvormen tot bol) en de glasblazer die de definitieve vorm realiseerde.
- Gewoonten: het drinken van bier werd gezien als hulp tegen uitdroging tijdens het werk.
Oventypen
Kuilovens
- Constructie: een gegraven kuil met eenvoudige steenbekleding en een ronde kuipconstructie met ruimte om hout te stoken.
- Temperatuur en resultaat: bereikten ongeveer 600–700 °C, waardoor de glasmassa een deegachtige stijfheid kreeg.
- Gebruik: lange tijd de belangrijkste smeltmethode, van vóór de jaartelling.
Potovens
- Constructie: koepelvormig stenen bouwsel met beneden een vuurplaats en boven een smeltzone.
- Werkwijze: oven werd eerst opgewarmd; bij hoge temperatuur werd het gemeng langzaam ingebracht; het laden kon circa vijftien uur duren.
- Temperatuur en inhoud: ongeveer 1500 °C; inhoud variërend van 60 tot 1000 kg.
- Periode: gebruik van de beginperiode van de jaartelling tot de zeventiende eeuw.
Roosterovens
- Vernieuwing: vanaf de zeventiende eeuw werd gewerkt met vuur op roosters waardoor as doorviel en meer zuurstof bij het vuur kwam.
- Gevolg: betere verbranding, hogere temperaturen en een gewijzigde verhouding van grondstoffen door het gebruik van steenkool.
- Ontwikkeling: roosterconstructies leidden later tot ovens met gescheiden delen, waarbij de potoven fungeerde als smeltzone met hogere temperaturen.