Trap terminologie
Verzameling van namen en maatbegrippen voor onderdelen, afmetingen en beloopbaarheid van trappen.
Betekenis
Trap terminologie omvat de benamingen van constructieve onderdelen en de maatbegrippen die het ontwerp en de beloopbaarheid van een trap beschrijven. De termen behandelen zowel fysieke elementen van de trap (treden, balustrade, trapboom) als geometrische afmetingen (aantrede, optrede, val, hoogte, doorloophoogte, stijgingshoek).
Toepassing
De terminologie wordt gebruikt bij het ontwerpen, uitvoeren en evalueren van trappen.
- Bepalen van rust- en richtingspunten zoals palier en wrongstuk.
- Keuze van esthetische elementen zoals een bloktrede.
- Ontwerp en bevestiging van balustrade en leuning (baluster, staanders, assen).
- Berekening van beloopbaarheid met stapmodulus en controle van de stijgingshoek.
Aandachtspunten
- Plaats een palier bij een richtingsverandering of bij extreem lange trappen om een rustpunt te bieden.
- Een wrongstuk vervangt de hoofdbaluster bij gebogen trapbomen of waar de trap van richting verandert.
- Een bloktrede is optioneel en vooral van esthetische aard.
- Doorschietende treden liggen op de trapbomen in plaats van tussen de trapbomen.
- Bereken de stapmodulus met Stapmodulus = 2 × optrede + 1 × aantrede (ideaal 56 cm); houd de stijgingshoek maximaal 45° en zorg voor voldoende doorloophoogte.
Onderdelen
- Palier (bordes): Horizontaal loopvlak dat de trap onderbreekt; meestal geplaatst waar de trap van richting verandert of om bij lange trappen uit te rusten.
- Welstuk: Laatste trede van de trap, op dezelfde hoogte als de bevloering; kan een inkeping bevatten zodat de bevloering daarin kan rusten.
- Bloktrede: Eerste trede die groter is dan de andere treden; optioneel en primair esthetisch.
- Doorschietende treden: Treden die op de trapbomen liggen in plaats van tussen de trapbomen.
- Hoofdbaluster (hout): Paal onder- en/of bovenaan de trap, meestal aan de binnenzijde; wordt voorzien ter hoogte van een palier of bij richtingsverandering, tenzij er een wrongstuk is.
- Wrongstuk: Gedeelte van de trapboom en/of balustrade dat gebogen wordt waar de trap van richting verandert; vervangt de hoofdbaluster.
- Baluster (hout): Verticale stijlen tussen de trapboom en de handgreep, onderdeel van de balustrade.
- Staanders (metaal): Verticale steunders (ongeveer om de 1 m) waaraan de handgreep wordt bevestigd.
- Assen (metaal): Horizontale verbindingen tussen de staanders; kunnen vervangen worden door planken, panelen of kabels.
Afmetingen / berekeningen
- Aantrede: Horizontale afstand tussen de twee opeenvolgende neuzen van treden.
- Optrede: Verticale afstand tussen twee opeenvolgende treden.
- Stapmodulus: Maat gebaseerd op de grootte van een stap; Stapmodulus = 2 × optrede + 1 × aantrede. De ideale waarde is 56 cm.
- Val: Totale horizontale lengte die men kan benutten.
- Hoogte: Afstand tussen de vloer waar de trap vertrekt en de vloer waar de trap aankomt.
- Doorloophoogte: Hoogte tussen de rand van de verdieping (opening) en de trede loodrecht daaronder; geeft aan of men bij gebruik van de trap het hoofd stoot.
- Stijgingshoek: Aantal graden waarmee de trap stijgt; voor een vlot beloopbare trap mag de stijgingshoek maximaal 45° zijn.