Zand
Zand is een los, korrelig en waterdoorlatend materiaal met korrels tussen 0,063 en 2 mm, afkomstig van erosie van rotsformaties.
Betekenis
Zand is een niet‑geconsolideerde, korrelige grondsoort bestaande uit minerale deeltjes met een korrelgrootte tussen 0,063 en 2 mm. Het is doorgaans door water of wind afgezet, bestaat vrijwel geheel uit kwarts (siliciumoxide) en is door zijn structuur goed waterdoorlatend en weinig samendrukbaar, waardoor het een goed draagvlak voor gebouwen biedt.
Toepassing
Zand speelt een veelzijdige rol in bouw en inrichting.
- Gebruiken als toeslagmateriaal in metsel-, stukadoors- en betonmortels.
- Toepassen als draag- en vulmateriaal bij ophogingen en straatwerk.
- Inzetten als drainagemateriaal door goede waterdoorlatendheid.
- Leveren van grondstof voor glasfabricage vanwege het kwartsgehalte.
- Specifieke toepassingen zoals speelzand in zandbakken of olivinezand voor reiniging van oppervlakken.
Aandachtspunten
- Houd rekening met korrelverdeling: mengen van verschillende korrelgroottes vermindert holle ruimten en vermindert samendrukbaarheid.
- Kies zandsoort af op toepassing: drainagezand voor afwatering, metselzand voor metselen, betonzand voor betonmortels.
- Wees bewust dat ophoogzand ongezeefd kan zijn en schelpen of ander vuil kan bevatten.
- Let op korrelgrootten: sommige toepassingen (bijv. metselzand) werken met specifieke fracties zoals 1–2 mm.
Soorten zand
- Betonzand (vloerenzand): korrelgrootte 0–4 mm (meestal 2–4 mm); grove soort voor betonmortel.
- Brekerzand: fijn materiaal ontstaan bij het breken van grind en natuursteen.
- Brekerszand (brekerzeefzand, sorteerzeefzand): fijn restmateriaal uit het breken van beton en slooppuin, gebruikt bij recycling.
- Dekzand: eolisch (stuifzand) afzetting uit het Weichselien; korrelgrootte 150–210 µm.
- Drainagezand: grove natuurlijke zandsoort met grote doorlatendheid.
- Fijn zand: korrelgrootte 63–210 µm (gradaties uiterst fijn, zeer fijn, matig fijn).
- Grof zand: korrelgrootte 210–2000 µm (gradaties matig grof, zeer grof, uiterst grof); fractie 2–4 mm valt onder fijn grind.
- Klapzand / plaatzand: fijn zand, soms gebruikt onder bestrating, hoewel straatzand of brekerzand vaak geschikter is.
- Metselzand: gebruikt voor metselen; sterkte van metselzand/cement wordt mede door korrelgrootte bepaald; gebruikelijk circa 1–2 mm.
- Löss: geelachtige, zeer gelijkmatige fijnkorrelige afzetting met het merendeel van de korrels kleiner dan 0,063 mm.
- Olivinezand: toegepast (soms met water) om gevels of vloeren met coatinglagen te reinigen.
- Ophoogzand / vulzand: ongezeefde zandsoort, vaak met schelpen; gebruikt voor het ophogen van straatwerk; kleur meestal grijs of grijs‑bruin.
- Rivierzand: geelbruin en scherp van structuur.
- Speelzand (zandbakzand): schoon en zacht zand zonder scherpe hoeken, vaak korrel 0–1 mm.
- Straatzand: toegepast voor het ondersteunen van straatwerk; laat zich gemakkelijk verwerken.
Afmetingen / korrelgrootte
- Algemeen zand: 0,063–2 mm.
- Fijn zand: 63–210 µm.
- Dekzand: 150–210 µm.
- Grof zand: 210–2000 µm.
- Betonzand: 0–4 mm (vaak 2–4 mm).
- Metselzand: gebruikelijke korrelgrootte circa 1–2 mm.
- Speelzand: vaak 0–1 mm.