Hout allerlei

Hout allerlei is een verzameling korte beschrijvingen van diverse houtkundige begrippen zoals doorsnede, noestvorming en houtdrogen.

Betekenis

Hout allerlei beslaat verschillende aspecten van houtkunde, van de opbouw van een boomstam tot eigenschappen van hout en bewerkingsrichtingen. De tekst behandelt onder meer schors, bast, cambium, spint, kernhout, houtstralen en de invloed van vocht op krimp en zwelling.

Toepassing

Deze informatie is relevant voor het begrijpen en herkennen van houtkundige kenmerken en bewerkingsrichtingen.

  • Bestuderen van de dwarsdoorsnede van een stam en de verschillende lagen.
  • Herkennen van noesten (kwasten) als ingesloten takgedeelten.
  • Beoordelen van vochtgedrag en de processen wateren en drogen van hout.
  • Kiezen van zaagrichtingen (radiaal, tangentiaal, axiaal) bij verwerking.

Aandachtspunten

  • Schors is een afgestorven, verkurkte beschermlaag die de boom beschermt tegen aantasting en vorst.
  • Cambium is slechts één cel laag dik (ca. 0,02–0,03 mm) en vormt door celdeling het hout en de bast.
  • Bij verhouting verandert protoplasma in voornamelijk cellulose en lignine; cellulose beïnvloedt krimpen en zwellen in de breedterichting.
  • Spint bevat veel water en voedingsstoffen; kernhout ontstaat wanneer spint binnengrens sterft en vaak donkerder verkleurt.
  • Houtstralen verbinden radiaal water- en voedingsopslag met tracheïden; stippels in crossfields hebben een membraan dat water doorlaat.
  • Bij het wateren van hout worden stammen enige tijd, bij voorkeur in stromend water, geplaatst.

Dwarsdoorsnede van de stam

  • Schors: buitenste beschermlaag, afgestorven en verkurkt.
  • Bast: dunne weefsellaag die suikers en voedingsstoffen in oplossing naar de wortels transporteert.
  • Cambium (teeltlaag): ongeveer 0,02–0,03 mm dik, waar door celdeling groei van hout en bast plaatsvindt.
  • Spint (spinthout): levende, waterrijke buitenste deel dat water transporteert van wortels naar kruin.
  • Kernhout: binnenzijde waar spint is afgestorven en verkernen heeft plaatsgevonden.
  • Houtstralen (mergstralen): lopen horizontaal van bast naar kern voor opslag en transport; staan in verbinding met tracheïden (lengterichting).

Richtingen van doorsneden

  • Axiaal: kopse vlak, doorsnede loodrecht op de as van de stam.
  • Radiaal: vlak door de as en over de straal van de stam; corresponderend met kwartiers gezaagd hout.
  • Tangentiaal: vlak evenwijdig aan de jaarringen, niet door de as van de stam; correspondeert met dosse gezaagd hout.

Ontstaan van een noest (kwast)

  • Tijdens groei ontstaan takken aan de stam; gedeelten van takken die door de stam worden ingesloten vormen noesten of kwasten.

Wateren en drogen van hout

  • Wateren van hout omvat het enige tijd onderdompelen van stammen, bij voorkeur in stromend water. (Drogen van hout is eveneens een afzonderlijk behandeld onderwerp.)

Eigenschappen en notaties bij naaldhout

  • Veelgebruikte aanduidingen: D = dwarsdoorsnede, R = radiale doorsnede, T = tangentiale doorsnede, B = bast, J = jaarring, V = vroeghout, L = laathout, c = cambium, m = mergstraal of houtstraal, h = harskanaal of houtparenchym.
  • Celtypen en structuren vermeld: houtstralen, parenchym, tracheïden en hofstippels.