Het werken van hout
Hout werkt: het zwelt bij vochtopname en krimpt bij droging, waardoor blijvende maatveranderingen optreden.
Betekenis
Het werken van hout is het verschijnsel dat hout van afmetingen verandert door opname of afgifte van vocht; droogte veroorzaakt krimp, vocht veroorzaakt zwelling. Dit gedrag is blijvend: uitgewerkt hout bestaat niet en moet bij ontwerp en uitvoering worden meegenomen.
Toepassing
Het begrip spelen een rol bij het kiezen, voorbereiden en bevestigen van houten onderdelen.
- Gebruik bij constructies die onder wisselende temperaturen maatvast moeten blijven.
- Selectie van hout voor meubelen versus gevelbetimmering op basis van droogtegraad.
- Ontwerp van tafelbladen en trapbordessen waarbij breedtebewegingen worden verwacht.
- Keuze van zaagwijze en drogingstechniek voor dimensionale stabiliteit.
Aandachtspunten
- Rekening houden met vochtbalans: de droogtegraad van hout moet in evenwicht zijn met het klimaat van de toepassing.
- Pas bewegingsvrijheid toe waar breedtekrimp optreedt (bijvoorbeeld door glijklossen).
- Vermijd te snel drogen om inwendige droogscheuren (collaps) te voorkomen.
- Houd rekening met verschillen tussen houtsoorten: beuken krimpt relatief veel; teak krimpt weinig en geldt als stabiel.
- Voor grotere delen maatverschillen in breedte verwachten; lengtekrimp is verwaarloosbaar.
Temperatuur
In tegenstelling tot kunststof en metaal zet hout niet uit onder invloed van warmte; daardoor wordt hout vaak toegepast in constructies die maatvast moeten blijven bij wisselende temperaturen.
Hoe het hout 'werkt'
- Lengtekrimp: de lengtekrimp tijdens droging is te verwaarlozen.
- Breedtekrimp: de grootste krimp ontstaat doordat jaarringen in de omtrek korter worden; daardoor ontstaat vrijwel altijd een scheur richting het hart.
- Zaagwijze en plaats in de stam bepalen het krimpgedrag van een plank.
Planken zagen
- Dosse gezaagd: geeft een gevlamde tekening; dosse planken krimpen voornamelijk in de breedte en tonen vaak krimpscheuren.
- Kwartiers gezaagd: geeft een gestreepte tekening; kwartiersplanken krimpen voornamelijk in de dikte en vervormen het minst, maar worden minder vaak gezaagd vanwege lager rendement uit een stam.
- Goed hout voor maatvaste toepassingen moet hartvrij gezaagd zijn.
Drogen
- Hout moet gedroogd worden voordat het toegepast wordt.
- De droogtegraad moet passen bij het klimaat van de plaats van toepassing om overmatig zwellen of krimpen te voorkomen.
- Meubelhout moet droger zijn dan hout voor gevelbetimmeringen.
- Te ver teruggedroogd hout kan later zwellen wanneer het weer vocht opneemt.
Scheuren en kromtrekken
- Ongelijke krimp veroorzaakt spanningen die leiden tot kromtrekking of scheurvorming.
- Scheuren kunnen soms gecontroleerd worden door zaagsnedes in de richting van de vezel, bijvoorbeeld aan de onderzijde van een dik tafelblad om de circa 15 cm, zodat het hout minder ongecontroleerd scheurt en kromtrekt.
Voorbeelden van gebreken en verschijnselen
- Collaps: inwendige droogscheuren veroorzaakt door te snel drogen; komt met name in eiken voor.
- Ringscheur: ontstaat wanneer jaarringen van elkaar loslaten (delaminatie).
- Spinthout: steekt bij sommige houtsoorten duidelijk af tegen het kernhout.
- Kopscheur: scheur die duidelijk in het hart begonnen is.
- Valbreuk: breuk dwars op de draad, waarschijnlijk veroorzaakt door het vallen van de stam of windbelasting; komt met name in tropisch hout voor.
- Bloeden: uitloging van in water oplosbare inhoudsstoffen uit houtvaten; bij nat worden ontstaan vlekken totdat de stoffen zijn uitgeloogd (bijvoorbeeld berucht bij Merbau).
- Op latten: om hout zonder vervormen te laten drogen is het belangrijk dat stapellatten recht boven elkaar liggen.
- Ingegroeide schors: beschadigingen aan de stam kunnen tot ingegroeide schors leiden.
- Draadverloop: indien de houtdraad niet recht door de plank loopt kan die plank tijdens het drogen lelijk kromtrekken.