Jugendstil, Art Nouveau

Jugendstil (Art Nouveau) is een stijlperiode rond 1890–1914 gekenmerkt door organische vormen, rijke decoratie en experimentele ornamentatie.

Betekenis

Jugendstil is een kunst- en architectuurstroming die vanaf circa 1890 ontstond als reactie op het hergebruik van historische stijlen en waarbij vrije, organische en vaak asymmetrische vormen centraal staan. De stijl geeft veel ruimte aan decoratie en artistieke vrijheid en manifesteert zich zowel in toegepaste kunst als in de architectuur.

Toepassing

Jugendstil komt voor in zowel toegepaste kunst als bouwkundig ontwerp.

  • Toegepaste kunst: affiches, boekomslagen, meubels en sieraden.
  • Architectuur: gevels met decoratieve elementen, flessenhalsvormige delen rond raampartijen en kleurrijke verblendstenen.
  • Interieur- en exterieurelementen: balkons, siersmeedwerk, voordeuren met snijwerk en winkelpuien met grote ramen.
  • Decoratieve tegels en geglazuurde dakpannen bij gevel- en dakafwerkingen.

Aandachtspunten

  • Decoratief karakter: het decoratieve aspect speelt een zeer grote rol in vormgeving en materiaalkeuze.
  • Vormtaal: voorkeur voor asymmetrische, organische en gebogen lijnen geïnspireerd op natuurvormen.
  • Kleurgebruik: veelvuldig gebruik van groen, bruin, geel, oranje en blauw.
  • Materialen: toepassing van lichte verblendsteen, kalkzandsteen, giet- en smeedijzer en glas voor zowel structuur als ornament.
  • Ornamentatie: drie onderscheiden typen ornamentatie (florale, lineaire en geometrische) bepalen het uiterlijk.

Typen ornamentatie

  • Florale ornamentatie: motieven uit de natuur, gestileerde planten, bloemen, bladeren, insecten en vogels; naast de zweepslaglijnen de meest kenmerkende eigenschap.
  • Lineaire ornamentatie: gebruik van zweepslaglijnen en slanke, golvende lijnen (soms genoemd "slaoliestijl").
  • Geometrische ornamentatie: ontstaan uit wiskundige methodes, zakelijker van karakter en soms richtinggevend naar Art Deco.

Materialen en uitvoeringsvormen

  • Metselwerk en steen: gebruik van lichtgekleurde baksteen of gladde verblendsteen in witte, rode, gele of oranje tinten; soms zandsteen of kalkzandsteen (geperste, niet-gebakken steen) met ornamenten.
  • Tegelwerk: toepassing van tegeltableaus, bricorna-stenen, biseauté-tegels (geglazuurd met afgeschuinde hoeken) en sectieltegels, vaak contrasterend geglazuurd.
  • Metalen en glas: veelvuldig gebruik van gietijzer en smeedijzer, siersmeedwerk voor balkons en hekwerken, en glas in puien en gevelopeningen.
  • Dakafwerking: geglazuurde dakpannen komen frequent voor.

Architectonische elementen

  • Gevelvormen: flessenhalsvormige delen rond terugliggende raampartijen, vaak over twee verdiepingen.
  • Constructie en decoratie: constructieve elementen worden soms zichtbaar gelaten en gecombineerd met decoratieve toepassing.
  • Openingen en boogvormen: rondbogen en oosters aandoende hoefijzerbogen als decoratieve gevelaccenten bij loggia's, ramen en deuren.
  • Uitbouwen en accenten: balkons en Franse balkons met siersmeedwerk, erkers, loggia's, torentjes, vensters die iets terugliggen, dakkapellen en borstweringen.
  • Winkelpuien: opvallende, uitbundige puien met grote ramen, op hoeken soms met gebogen oppervlakken.

Chronologie en geografische benamingen

  • Ontstaan: rond 1890 verschijnt de beweging in de toegepaste kunst; vanaf circa 1896 manifesteert zij zich ook in de architectuur.
  • Benamingen: in Nederland, Duitsland en Oostenrijk vooral bekend als Jugendstil of Nieuwe Kunst; in België, Frankrijk en Engeland wordt de term Art Nouveau gebruikt.