Noest

Een noest is een ronde, ovale of grillige plek van harder, donker hout op de plaats waar een tak heeft gezeten.

Betekenis

Een noest is een lokale concentratie van harder en donkerder hout op de plaats waar een tak gegroeid was; de vorm kan rond, ovaal of grillig zijn. Noesten komen veel voor in gezaagd hout en beïnvloeden mechanische eigenschappen en uiterlijk van planken.

Toepassing

De term wordt gebruikt bij beschrijving en beoordeling van gezaagd hout en planken.

  • Voorkomen in vuren-, grenen- en elzenhout.
  • Beïnvloeden prijs: hout met noesten is doorgaans goedkoper dan noestvrije planken.
  • Beperken gebruiksmogelijkheden: kunnen hout verzwakken en in extreme gevallen constructietoepassing uitsluiten.
  • Beïnvloeden afwerking: bewegende noesten in vers hout kunnen verf of lak laten bladderen.

Aandachtspunten

  • Ongezonde noesten kunnen uitvallen en leiden tot verloren materiaal tijdens bewerking.
  • Noesten verminderen de sterkte van het hout ten opzichte van noestvrije delen.
  • Pitkwasten zijn gezonde, kleine kwastjes met een diameter kleiner dan 5 mm.
  • Losse (dode) kwasten zijn vaak slecht vergroeid en kunnen loszitten of uitvallen bij bewerken.
  • Zachte of ontaarde kwasten hebben minder hardheid dan het omliggende hout.

Soorten kwasten

  • Ronde kwast: vrijwel cirkelvormig.
  • Ovale kwast: langgerekte, ovale vorm.
  • Platte of langwerpige kwast: grootste diameter is meer dan viermaal de kleinste diameter.
  • Platkwast: kwast die niet door de plank heen gaat, alleen zichtbaar aan één vlak.
  • Kantkwast: kwast uitsluitend op de zijkant van een plank.
  • Ribkwast: kwast die op de zijkant en op de brede zijde zichtbaar is (soms ook kantkwast genoemd).
  • Schietkwast of splitkwast: in lengterichting doorgezaagde, niet-doorgaande kwast.
  • Pijpkwast: doorgaande schietkwast in de zijkant van een plank.
  • Kruiskwast: kruisvormige kwast in naaldhout bij een takkrans.
  • Pit of pitkwast: gezonde, rond- of ovaalvormige kwast kleiner dan 5 mm.
  • Kattenpoot: drie of meer pits bijeen, als afdruk van kussentjes; wordt als één kwast beschouwd.
  • Paardenpoot (paardepoot): overblijfsel van grote kwasten waaroverheen nieuw hout en schors groeiden; vaak verrot, veelal bij eiken.
  • Kwastgroep: groep dicht bij elkaar liggende kwasten.

Vaste en losse kwast

  • Vaste (vergroeide) kwast: afkomstig van levende takken die tijdens de groeitijd met de stam zijn meegegroeid; vaak voor minimaal driekwart van de omtrek vergroeid met het omringende hout.
  • Losse (dode) kwast: afkomstig van een tak die tijdens de groei van de boom is gestorven; de groeiringen van de stam lopen niet in de tak door; vaak minder dan een kwart van de omtrek vergroeid en zit vaak los of valt eruit bij bewerking.

Eisen / regelgeving

  • Kwasten en andere onvolkomenheden in gezaagd hout zijn gedefinieerd in NEN‑EN 844‑9 (Rondhout en gezaagd hout: Termen en definities - Termen voor de onvolkomenheden in gezaagd hout).