Post 65

Post 65 duidt de karakteristieken van architectuur, stedenbouw en landschap aan in de periode circa 1965–1990.

Betekenis

Post 65 is een aanduiding voor de karakteristieken van architectuur, stedenbouw en landschap in de periode ongeveer 1965–1990. De term omvat zowel materiële verschijningsvormen (bijvoorbeeld hoogbouw, winkelcentra, industrieterreinen) als ruimtelijke en sociaal‑ruimtelijke concepten (zoals scheiding van functies en meervoudig grondgebruik). In sommige plaatsen wordt een iets andere tijdsafbakening gehanteerd.

Toepassing

Post 65 wordt gebruikt om gebouwde en ruimtelijke kenmerken uit de periode te benoemen en te analyseren.

  • Omschrijven en inventariseren van jong erfgoed uit circa 1965–1990.
  • Benoemen van typische elementen zoals scheiding wonen/werken/recreatie, mega‑scholen, groeikernen en winkelcentra.
  • Classificeren van architectuurstromingen en bouwtypen uit de periode: Brutalisme, Structuralisme, structuralistische elementen en kantoortuinen.
  • Beschrijven van ruimtelijke ontwikkelingen zoals slaapsteden, bloemkoolwijken, woonerven en voetgangersgebieden.

Aandachtspunten

  • Periode‑afbakening kan lokaal verschillen; gemeenten of steden hanteren soms afwijkende jaartallen.
  • De term wordt vooral gebruikt bij het waarderen en mogelijk behouden van jong erfgoed, maar behoud moet worden afgewogen tegen ruimte voor verandering en vernieuwing.
  • Post 65 heeft in sommige kringen een negatieve klank; officiële en historische contexten gebruiken vaak de term Jonge Bouwkunst.
  • De periodeaanduidingen overlappen en zijn globaal aangegeven; binnen Post 65 onderscheiden zich drie deels overlappende subperioden.

Periodes

Post 65 wordt onderverdeeld in drie ongeveer‑jaartallen, die elkaar deels overlappen:

  • Voortgaande groei na de Wederopbouw (1960–1970): open stedenbouw, veel groen tussen nieuwbouwdelen, hoogbouw en galerijflats, gietbouwsystemen en weinig aandacht voor historische context.
  • Verandering, "participatiemaatschappij", menselijke maat (1968–1982): nadruk verschoof richting meer aandacht voor menselijke maat en lokale participatie.
  • Differentiatie en terugkeer naar rationalisatie (1980–1990): herstel van rationalisatie en differentiatie in benaderingen van stedenbouw en architectuur.

Kenmerken van de periode 1960–1970 (voorbeelden)

  • Open stedenbouw vaak in H‑vorm langs provinciale en kruisende wegen; ruime afstand en veel groen tussen bouwdelen.
  • Kaalslag van oude wijken en inplanting van hoge kantoorgebouwen tussen laagbouw (voorbeeld: Utrecht Hoog Catharijne).
  • Massa‑woningbouw door hoogbouw en galerijflats; relatief weinig laagbouw.
  • Stadsuitbreiding in nieuwe wijken bij grote steden (voorbeeldwijken: Amsterdam‑Bijlmer, Rotterdam‑Ommoord, Utrecht‑Overvecht).
  • Groei van nieuwe groeikernen bij randgemeenten (bijvoorbeeld Capelle aan den IJssel, Zoetermeer, Nieuwegein, Almere).
  • Geografische scheiding van wonen, werken en recreatie, met concentratie van winkels in winkelcentra.
  • Ontstaan van bloemkoolwijken met specifieke plattegrondtypologieën.

Voordelen en nadelen van hoogbouw (zoals gepercipieerd in de periode)

  • Voordelen:
    • Grote woningdichtheid op klein grondvlak.
    • Meer groen rond de gebouwen door grotere minimale afstanden.
  • Nadelen:
    • Verlies van menselijke maat en gevoel van vervreemding.
    • Vergroot risico op vereenzaming en minder buurtcontact.
    • Kans op geluidsoverlast en sociale problemen door hoge dichtheid en veel omliggende appartementen.
    • Mogelijkheid tot getto‑vorming wanneer één soort bewoners geconcentreerd wordt.