Neoclassicisme
Neoclassicisme is een architectuurstroming uit het einde van de 18e en de eerste helft van de 19e eeuw, geïnspireerd door de klassieke oudheid.
Betekenis
Neoclassicisme is een herleving van de architectuur en beeldende kunst van de klassieke oudheid, ontstaan als reactie op de ornamentrijke Barok en Rococo. De stijl ontstaat door hernieuwde belangstelling voor archeologische vondsten en klassieke theorieën, onder meer voortbouwend op publicaties van Palladio en op opgravingen zoals in Pompeï.
Toepassing
De stijl komt voor in diverse gebouwtypes en landschapskunst.
- Monumentale rechtsgebouwen, bestuursgebouwen en musea (bijv. gerechtsgebouwen, paleizen van justitie, beurspanden).
- Kerken, met name in de sobere Waterstaatsstijl.
- Woonhuizen en stadspanden, vaak met lijstgevels.
- Landschapskunst: kleine klassieke folly's en neoclassicistische tuinarchitectuur.
- Monumentale ingangen en trappen, soms rondom een portico.
Aandachtspunten
- Hanteer strakke, zuivere vormen en een duidelijke ordening, vaak symmetrisch rond een middenas.
- Gevels zijn vaak witgepleisterd en kunnen schijnvoegen tonen.
- Klassieke elementen zoals frontons, kroonlijsten, zuilen (Dories eenvoudiger, Korintisch weelderiger), pilasters en portico's zijn veelvuldig toegepast.
- Periodes en regionale varianten (Lodewijk XVI, Empire, Neo-Grec, Waterstaatsstijl) hebben eigen motieven en versieringsgraad.
- Archeologische inspiratie kan leiden tot revivals van Griekse, Romeinse of Egyptische motieven.
Kenmerken
- Zuivere vormgeving met rechtlijnigheid en harmonie; vaak compacte, blokvormige bouwvolumes en tempelfronten.
- Strenge, symmetrische indeling, vaak witgepleisterde gevels.
- Gebruik van klassieke elementen en afgeleiden zoals cordonbanden en attiekverdiepingen.
- Soms prominente trappen bij ingangen, soms omlopend rond een portico zoals bij Griekse tempels.
- In Engelse landschappen verschijnen folly's en kleine klassieke ruïnes als decoratieve elementen.
Periodes en benamingen
- Lodewijk XVI-stijl (ca. 1770–1800): strakkere, sobere vormen; symmetrie; decoraties zoals guirlandes, gebeeldhouwde hoofden en vazen; voor huizen vaak lijstgevels.
- Georgian Style (in Engeland, ca. 1720–1840): gangbare benaming voor het classicistische vocabulaire in Engeland.
- Empirestijl (ca. 1800–1820): Franse invloed, veel Egyptische en Romeinse kenmerken met versieringen zoals sfinxen en palmetten.
- Waterstaatsstijl (ca. 1815–1850): sobere neoclassicistische stijl vooral toegepast bij kerken; naamgeving verwijst naar controle en financiële steun door Rijkswaterstaat, niet noodzakelijk naar ontwerp door Rijkswaterstaat zelf.
- Neo-Grec / Greek Revival (ca. 1830–1850): voortzetting van Empire en nadruk op specifieke Griekse bouwkunst; vaak iets speelser.
- Neo-Egyptische kunst: opkomst na Napoleons campagnes in Egypte en door vondsten uit het oude Egypte.
Belangrijke architecten en voorbeelden
- Jean Nicolas Louis Durand: vooral bekend als docent aan de École Polytechnique in Parijs.
- Claude Nicolas Ledoux: Rotonde de la Villette (Parijs).
- Etienne-Louis Boullée: ontwerpen zoals het Cénotaphe à Newton.
- Jan de Greef: Gerechtsgebouw Prinsengracht (Amsterdam).
- Zeger Reijers: Het Wachtje / Paviljoen (Den Haag).
- Jan David Zocher jr: Beurs van Zocher (Amsterdam).
- W.N. Rose (Willem Nicolaas): tehuis Bronbeek (Arnhem).
- E.L. de Conick: Paleis van Justitie (Zwolle), later Museum de Fundatie.
- Th. A. Romein: Paleis van Justitie (Leeuwarden).
- J. van Embden (Johannes): stadhuis van Utrecht.
- K.G. Zocher (Karel George): Sint Augustinuskerk (Utrecht).
- K.F. Schinkel (Karl Friedrich): Schloss Charlottenhof (Potsdam).