Revolutiebouw
Revolutiebouw is massale woningbouw van lage bouwkundige kwaliteit, kenmerkend voor twee perioden in de moderne geschiedenis.
Betekenis
Revolutiebouw beschrijft het verschijnsel waarbij in korte tijd veel woningen werden opgetrokken maar met slechte bouwkwaliteit. Het begrip wordt vooral gebruikt voor twee historische perioden waarin snelheid en winst de bouw bepaalden, wat leidde tot structurele gebreken, slechte woonomstandigheden en monotone nieuwbouwwijken.
Toepassing
De term wordt toegepast op grootschalige, vaak goedkope woningbouw uit twee perioden.
- Late 19e eeuw: snelle uitbreiding van volkswijken tijdens stedelijke bevolkingsgroei.
- Ca. 1950–1970: massale wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog.
- Bij vervangingsbouw en grootschalige nieuwbouwwijken met uniforme typologieën.
- Bij beoordeling van erfgoedverlies door sloop van cultuurhistorische woningen.
Aandachtspunten
- Herkennen van bouwkundige gebreken die voortkomen uit haast en bezuiniging.
- Inspecteren van materialen en verbindingen op houtrot, slecht voegwerk en losgezet metselwerk.
- Controleren van funderingen en palen, inclusief mogelijke verkorting of ontbreken van paalfunderingen.
- Beoordelen van brandveiligheid bij woningscheidende muren en zoldervloeren.
- Rekening houden met sociale en ruimtelijke gevolgen van eenzijdige, monofunctionele wijken.
Historiek / periodes
- Eind 19e eeuw: Revolutiebouw ontstond toen stedelijke bevolking sterk toenam en particuliere financiers speculatieve nieuwbouw lieten uitvoeren door (vaak kleine en onbekwame) aannemers; tekort aan vakmensen en prioriteit voor winst leidden tot bouwkundige tekortkomingen.
- Ca. 1950–1970 (Wederopbouw): Na de oorlog leidde woningnood en materiaalgebrek tot grootschalige, planmatige maar vaak kwalitatief teleurstellende woningproductie; veel uniforme woonwijken en flatten zijn producten van deze periode.
Gebreken / bouwfouten
- Gebruik van te nat hout en vurenhout dat gevoelig is voor houtrot.
- Slechte mortel en niet goed doorbakken stenen.
- Onvoldoende funderingen: soms minder heipalen dan vermeld of kortere paalstukken.
- Verf samengesteld uit water en krijt.
- Slechte houtverbindingen en loslatend metselwerk.
- Onvoldoende brandwerendheid van woningscheidende muren, met risico op branddoorslag via zolders.
- Daling van constructieve kwaliteit: soms instortingen tijdens de bouw.
Woningtypes en ruimtelijke kenmerken
- Dichtbebouwde wijken met huizen in drie of vier lagen, krappe trappenhuizen, kleine kamers en vaak alleen een klein balkon voor buitengebruik.
- Doorzonwoningen: doorzonzitkamer met groot raam vóór en achter, klein keukentje, drie slaapkamertjes boven en een tuintje met schuurtje; in de jaren 1960–1970 verrezen er ruim een miljoen doorzonwoningen.
- Galerijwoningen en flatwijken als veelvoorkomende vormen in steden en buitenwijken.
Beleidsreacties
- Woningwet van 1901 zorgde voor meer aandacht voor gezondheid, lichttoetreding en gemeente-toezicht op nieuwbouw, waarmee een einde kwam aan bepaalde misstanden uit de 19e-eeuwse revolutiebouw.
- In 1961 bracht de commissie Hoogbouw–Laagbouw een rapport uit met conclusies over hoogbouw en gezinnen; het rapport werd naar verluidt niet breed toegepast ("verdwenen waarschijnlijk in de prullenmand").
- Spreidingsbeleid leidde tot scheiding van wonen en werken en de vorming van slaapsteden; vanaf circa 1968 werden veel huurders in flatgebouwen in buitenwijken ondergebracht, ondanks een sterke voorkeur (80–90%) van de bevolking eind jaren 60 voor eengezinswoningen (in de drie grote steden prefereerde 65% eengezinswoningen, terwijl het aandeel van dat type in de woningvoorraad circa 20% bedroeg).