Shingle
Een shingle (ook asfaltshingle) is een meestal bitumineuze, schubvormige dakbedekking voor hellende daken.
Betekenis
Een shingle is een vaak schubvormige dakbedekking die in de Nederlandse taal vrijwel uitsluitend voor bitumenproducten (asfaltshingles) wordt gebruikt. Bitumeuze shingles bestaan uit een met bitumen geïmpregneerde inlage van glasvlies die aan beide zijden met bitumen is bedekt; de bovenzijde heeft een beschermlaag van gekleurd mineraal. Het glasvlies geeft stabiliteit, sterkte en stevigheid en verlengt daardoor de levensduur.
Toepassing
De shingle wordt toegepast op hellende daken.
- Bedekken van kleine bouwsels zoals tuinhuisjes e.d., waar bitumeuze shingles nog hoofdzakelijk worden gebruikt.
- Afwerken van nokken en hoeken met speciale nokshingles en hoekshingles.
- Plaatsen in stroken met meerdere shingles aan één stuk om sneller te werken en betere parallelle uitlijning te bereiken.
- Soms wordt de term ook gebruikt voor houten leipanen en leipannen van vezelcement.
Aandachtspunten
- Gebruik nokshingles en hoekshingles om de waterdichtheid van nok- en hoekzones te garanderen.
- Houd rekening met de constructie van de shingle: glasvlies-inlage levert stabiliteit en verhoogt de levensduur.
- De bovenzijde met gekleurd mineraal biedt bescherming tegen weersinvloeden.
- Shingles worden vaak geleverd in stroken met meerdere elementen om plaatsing te versnellen en uitlijning te vergemakkelijken.
- De term shingle kan verwarring geven omdat hij soms ook op houten of vezelcement-varianten wordt toegepast.
Materialen / uitvoeringsvormen
- Geoxideerde en APP-gemodificeerde bitumenshingles: glasvlies-inlage geïmpregneerd met bitumen, aan beide zijden gecoat met bitumen, en een bovenzijde bedekt met gekleurd mineraal.
- Alternatieve uitvoeringen genoemd in het taalgebruik: houten leipanen (dakspanen) en leipannen van vezelcement.
Onderdelen
- Nokshingles: afwerking voor de nok van het dakvlak.
- Hoekshingles: afwerking voor dakhoeken, beide ter waarborging van de waterdichtheid.
Naam / etymologie
Het woord shingle (dakspaan) komt uit het Engelse shingle en is afgeleid van het Middeleeuws-Latijnse scindula (houten dakpan; vanaf ca. 1200 gebruikt voor 'dun stuk hout'), dat via Griekse en Latijnse verwantschap teruggaat op de Proto-indo-Europese grondvorm sked (‘splijten’). Vergelijkbare begrippen: losange en potdekselen.