Trap
Een trap is een constructie met treden om een hoogteverschil binnen een gebouw te overbruggen.
Betekenis
Een trap is een uit treden bestaand constructie-onderdeel om naar boven of beneden te gaan, meestal geplaatst in een gebouw. De hoogte tussen twee treden heet optrede en de diepte van een trede heet aantrede; de verhouding tussen deze maten bepaalt de begaanbaarheid en hellingshoek van de trap.
Toepassing
Trappen worden toegepast om verticale verplaatsing in gebouwen mogelijk te maken.
- Overbruggen van hoogteverschillen in woningen en andere gebouwen.
- Verbinden van verdiepingen via een trappenhuis.
- Wegwerken of benutten van ruimte onder een trap (trapkast).
- Beveiligen van kleine kinderen met een traphekje.
Aandachtspunten
- Volg de stapmodulus: (2 × optrede) + (1 × aantrede) = 590 mm (ongeveer 60 cm) voor een goed beloopbare trap.
- Houd rekening met alternatieve formules (optrede + aantrede ≈ 380–400 mm; bovenwaarde kan ca. 425 mm zijn).
- Zorg dat alle treden even hoog zijn; een afwijking mag bij voorkeur in de onderste trede voorkomen en maximaal 6 mm bedragen; tussen twee opeenvolgende treden mag de afwijking in optrede niet groter zijn dan 2 mm.
- Plaats een tussenbordes bij een hoogteverschil groter dan 4 meter.
- Voorkom kraken door een neuslat (wellat) onder de neus aan te brengen of door de bovenkant van het stootbord rond te schaven.
Afmetingen / doorsneden
- Stapmodulus: (2 × optrede) + aantrede = 590 mm.
- Alternatieve benadering: optrede + aantrede = 380–400 mm (bovenwaarde kan nu circa 425 mm zijn).
- Gewenste maten voor een normale binnentrap in woningen:
- Aantrede: 220–250 mm (220 mm wordt genoemd als minimale diepte).
- Optrede: 175–185 mm (188 mm is als maximale hoogte van de optrede vermeld in het Bouwbesluit 2012).
- Maximale hellingshoek: circa 37° (bij een optrede van 188 mm, aantrede van 220 mm en ruimtehoogte van 2600 mm).
Onderdelen
- Trede: het horizontale loopvlak; de voorkant ervan heet trapneus.
- Optrede: hoogte tussen twee treden.
- Aantrede: diepte van de trede.
- Trapboom: één van de twee balken waartussen treden en stootborden gevat zitten.
- Stootbord: het verticale paneel tussen twee opeenvolgende treden (aanwezig bij gesloten trappen).
- Trapleuning: hulpstuk waar de hand op rust.
- Traptoppen: onderdelen zoals neuslat (wellat) om kraken te voorkomen.
- Overige objecten: traphekje, traploper, trapkast, trapgat, trapfries, traproede, knoloog.
Uitvoering
- Gesloten trap: trap met stootborden.
- Open trap: trap zonder stootborden.
- Scheluwe trap: trap die begint en/of eindigt met een draaiing.
- Verholen trap: trap weggewerkt achter betimmering (bijv. diensttrap).
- Uitslagen: technische tekeningen van een trap op schaal 1:1 (ware grootte).
Soorten trappen
- Steektrap (rechte trap)
- Wenteltrap / draaitrap
- Spiraaltrap (Engelse trap, slingertrap)
- Luie trap (grote aantrede, kleine optrede)
- Muizentrap (dunne bijna vrijhangende trap)
- Spiltrap / spilsteektrap
- Verdreven trap
- Zipzap-trap
- Zwevende trap
Verschil met ladder
- Ladder is een eenvoudige, mobiele trap zonder stootborden, met ondiepe treden (sporten) en smalle bomen; een trap is doorgaans vaste bouw en bedoeld voor regulier gebruik.