Tufsteen

Tufsteen is een poreus vulkanisch afzettingsgesteente gevormd uit verharde vulkanische as, puim en gesteentefragmenten.

Betekenis

Tufsteen bestaat uit fragmenten van magma en oude gesteenten, puimsteen (bims) en een fijnkorrelige grondmassa die het geheel bindt; het is geel/roze tot bruinachtig en poreus. Het breukvlak is ruwkorrelig en bij goede tufsteen mag geen groefleger zichtbaar zijn.

Toepassing

Tufsteen werd en wordt gebruikt als bouw- en beeldhouwwerksteen, vooral in historische constructies en restauraties.

  • Gebruikt door de Romeinen voor castella en andere belangrijke gebouwen.
  • Belangrijke bouwsteen in de Romaanse periode (o.a. tufsteen uit het Brohltal, Eifel).
  • In restauraties wordt soms Ettringer tufsteen toegepast.
  • Vroeger fijngemalen tot tras voor het maken van trasraam.
  • Toepassing in vrijstaand werk en monumenten.

Aandachtspunten

  • Poreusheid: neemt gemakkelijk water op en staat dat weer af; uitspoeling van de bims leidt na enkele jaren tot putjes in het oppervlak.
  • Vocht en schaduw: langdurig vochtige, niet-zonnige plaatsen ontwikkelen na verloop van tijd mos- en algenbedekking.
  • Huidafstoting: de zichtzijde of huid van de tufsteen kan afstoten, waarna vaak gezonde steen tevoorschijn komt.
  • Soortsafhankelijk: sommige soorten (bijv. Ettringer) zijn minder weervast en gevoelig voor vorst en wisselende temperaturen.
  • Onderzoek vóór ingrijpen: nagaan of reinigen mogelijk is; voor reinigen, beschermen en repareren wordt verwezen naar natuursteen-onderhoud.

Typen / bekende soorten

  • Ettringer tufsteen (Eifel, Duitsland): grovere structuur met gele vlekken; minder weervast, gevoelig voor vorst en temperatuurschommelingen; werd ook bij restauraties gebruikt.
  • Hasenstoppler tufsteen (Eifel, Duitsland): bevat minder grove fragmenten, goed bewerkbaar; karakteristiek zijn oranje puimsteenfragmenten met holtes opgevuld met macroscopisch witte mineraalaggregaten.
  • Hohenleie / Weiberner tufsteen (Weibern en Rieden, Duitsland): fijner van structuur en egaler beige van kleur dan oudere Römer tufsteen; vroeger ook selbergitische tuf genoemd.
  • Römer tufsteen (Nettetal, nabij Andernach, Duitsland): vroegst gebruikt, gelige soms rossige tuf met witte tot gele puimsteenfragmenten en relatief weinig andere fragmenten; bevat grotere donkere insluitingen; momenteel niet meer verkrijgbaar en vaak vervangen door Weiberner tuf.
  • Peperino Grigio / Peperino (Grigio) Duro (Viterbo, Italië): lichtgrijze ondergrond met donkergrijze vlekken of strepen, homogeen van structuur, ruwkorrelig breukvlak en enige witte kalkpitten; patineert grijsgroen op de regenkant en lichtgrijs waar geen regen komt.
  • Peperino Rosato (Viterbo, Italië): steenrode ondergrond met grijze vlekken, homogeen van structuur en kleur, weinig witte kalkpitten; ruwkorrelig breukvlak; patineert roodachtig-groen op de regenkant en rosig-rood waar geen regen komt.

Verwering / onderhoudsproblemen

  • Algen en mossen vormen een voedingsbodem op Eifeltuf en doen de steen donkerder kleuren bij uitdroging, maar dit veroorzaakt op zichzelf geen structurele schade.
  • Uitspoeling van bims leidt tot zandige, gele plekken en een pokdalig uiterlijk.
  • Vrijstaand werk vertoont op den duur vaak scheurvorming; uiteenvallen komt regelmatig voor daar waar de steen diep is uitgehakt.
  • Voor reinigen, conserveren en herstellen bestaat specifieke aanpak; eerst nagaan of reinigen een alternatief is voor vervangen.

Historiek

  • Tufsteen uit de Eifel werd al in de Romeinse tijd gebruikt en bleef belangrijk in de Romaanse periode (o.a. Brohltal).
  • Rond 1200 nam het gebruik van tufsteen af door het toenemende gebruik van baksteen.
  • Römer tufsteen was een vroeg gebruikte soort; na uitputting werd Weiberner tufsteen vaak toegepast.
  • Vroeger werd tufsteen ook fijngemalen tot tras voor gebruik in mortels en trasramen.