Vensterbelasting
Vensterbelasting is een historische directe belasting op het aantal buitendeuren en -vensters van een gebouw.
Betekenis
Vensterbelasting is een directe belasting opgelegd op buitendeuren en buitenvensters van gebouwen, oorspronkelijk bedoeld om overheidsinkomsten te verhogen zonder de inkomstenbelasting te verhogen. De heffing was eenvoudig controleerbaar doordat inspecteurs het aantal van buitenaf konden tellen, en het tarief varieerde volgens meerdere kenmerken zoals verdieping, soort deur en gemeente.
Toepassing
De vensterbelasting werd toegepast vooral in de 19e eeuw in verschillende Europese landen.
- Heffen op alle buitendeuren en -vensters die uitkomen op straten, plaatsen, tuinen, vaarten of wateren.
- Bepalen van het bedrag op basis van het aantal deuren en ramen, de verdieping, het soort deur en de gemeente.
- Aanslag op de bewoners (huurders): bij aanslag van de eigenaar kon het bedrag aan de huur worden toegevoegd.
- Vrijstellingen en uitzonderingen per land en per soort gebouw (zie Eisen / regelgeving).
Aandachtspunten
- Onduidelijkheid over welke deuren en vensters belast waren leidde tot interpretatieproblemen bij de uitvoering.
- Belastingtarieven konden per verdieping en per gemeente verschillen; in sommige gevallen werd onderscheid gemaakt naar het soort deur (bijvoorbeeld koetspoort zwaarder belast).
- Heffing gebeurde primair op buitenramen en -deuren; ramen zonder directe verbinding met de buitenlucht waren uitgesloten.
- Door vrijstellingsregels en uitzonderingen werd het stelsel na verloop van tijd complexer.
Eisen / regelgeving
- In Nederland trad de belasting op deuren en vensters in werking op 1 januari 1812 na invoering door het Franse stelsel (Keizerlijk Decreet van 21 oktober 1811).
- In 1821 werden in voorbeelden bedragen genoemd van circa 0,40 tot 1,10 gulden per deur of venster, afhankelijk van lokale bepalingen.
- Een Nederlandse wet van 12 juli 1821 kende uitzonderingen toe, onder meer voor:
- woonhuizen met een jaarlijkse huurwaarde beneden 20 gulden;
- fabrieken, schuren, stallen, kerken, scholen en andere openbare gebouwen;
- dakvensters;
- zolders, kelders en vertrekken die niet voor bewoning geschikt waren.
- In Frankrijk waren openbare en militaire gebouwen, scholen en bejaardenhuizen doorgaans vrijgesteld; in Engeland bestonden uitzonderingen voor arme mensen en sommige industriële eigenaren (bijvoorbeeld melk- en kaasfabrieken).
Ontduiking en vermindering
- Dichtmetselen van vensters, vaak zichtbaar gehouden als vorm (soms met raamdorpel of dagmetselwerk).
- Buitenafpleisteren of beschilderen van dichtgemetselde vensters om het gevelbeeld te herstellen of een vals raam te suggereren.
- Binnenzijde van dichtgemetselde vensters afwerken met behang of schilderwerk.
- De eenvoudige manier van heffen (tellen van buitenaf) maakte ontwijkingspraktijken aantrekkelijk en wijdverbreid.