Vernacular architecture
Vernacular architecture is de bouwwijze waarbij lokale materialen, bouwmethoden en tradities worden toegepast zonder tussenkomst van professionele architecten.
Betekenis
Vernacular architecture is een bouwwijze die ontstaat uit lokale materialen, bouwtechnieken en tradities, zonder dat een beroepsarchitect of -ingenieur betrokken is. De vorm van gebouwen ontwikkelt zich vaak geleidelijk vanuit praktische ervaring, waarbij een bepaald type constructie zich als het meest geschikt voor een streek heeft bewezen.
Toepassing
Vernacular architecture komt voor waar bouwoplossingen aangepast worden aan lokale omstandigheden.
- Gebruik van lokale materialen en verwerkingsmethoden in dorps- en plattelandsgebieden.
- Tijdelijke en mobiele constructies bij nomadische levenswijzen.
- Eenvoudige, gemeenschapsgerichte bouw in nederzettingen en sloppenwijken.
- Beschermende of klimaatgebonden woningen in specifieke regio’s (bijv. koude, warme of natte streken).
Aandachtspunten
- Bouwmateriaal: moet in de regio ruim beschikbaar zijn.
- Verwerkbaarheid: materiaal moet gemakkelijk te bewerken zijn.
- Bouwwijze: voorkeur voor redelijk eenvoudige, niet-complexe constructies.
- Klimaatadaptatie: ontwerp en vorm aanpassen aan lokale klimaatkenmerken (bijv. dikke muren en kleine ramen in warme streken).
- Traditie en snelheid: streektradities beïnvloeden vormgeving; bij nomaden is snelle opbouw vereist.
Aspecten
- Handwerk en gemeenschapswerk: veel vernacular-gebouwen worden door families of gemeenschappen gemaakt met beschikbare middelen.
- Stilistische keuze: versiering en vormen kunnen culturele voorkeuren weerspiegelen en gaan verder dan pure functionele eisen.
- Misvattingen: de term “primitief” past niet altijd; vernacular kan complexiteit en esthetiek tonen afhankelijk van cultuur en functie.
- Tijdsdimensie: zowel oude voorouderlijke constructies als recente informele woningen kunnen onderdeel zijn van vernacular architecture.
Voorbeelden
Voorbeelden variëren naar klimaat, materialen en behoeften:
- Plaggenhutten: gebouwd waar weinig bos is maar veel gras; in Drenthe werden zulke hutten door kolonisten van natuurproducten en restmaterialen gemaakt; spitkeet is een ander woord.
- Huizen van turf, klei, leem of leemsteen (bijv. tolek): geschikt waar veel zon is om leemsteen te drogen en weinig regen valt.
- Blokhutten: waar veel bos is en dikke stammen beschikbaar zijn.
- Natuurstenen huizen: voorbeelden zijn taigh dubh, de nederzetting van Skara Brae en trulli waar veel losse stukken rots aanwezig zijn.
- Recycling-huisjes: zoals leche klim of casa klim, gebouwd waar veel lege blikken beschikbaar zijn.
- Rotswoningen (grotwoningen): mogelijk waar de rots zacht genoeg is om te bewerken maar stevig genoeg om niet in te storten.
- Tenten: snel op te bouwen constructies zoals tipi, ger, joert en min, gebruikt waar andere materialen ontbreken en dierenhuiden of textiel aanwezig zijn.
- Huizen van takken en gedroogd gras: indlu's en yehakin/yihakan (Powhatan) bieden bescherming tegen hitte en gevaar.
- Rieten huizen: mudhifs in Irak, waar riet ruim beschikbaar is.
- Bamboehuizen: bouwkundig sterk en stevig.
- Huizen van ijs of sneeuw: iglo's.
- Huizen op palen of terpen: ontworpen om boven water of vochtige grond uit te steken.
- Vakwerkhuizen: ontstaan waar eikenbossen voorhanden waren.
- Balloon-frame huizen: skelet van veel relatief dunne balkjes (voorbeeld Verenigde Staten).
- Shotgun houses: houten woningen typisch in het zuiden van de Verenigde Staten.
- Schuurtjes van sloophout: informele bijgebouwen, vooral vroeger.
- Bakstenen huizen: waar klei en ovens beschikbaar zijn.