Voeg

Een voeg is een nagestreefde onderbreking tussen gelijksoortige delen van een muur, vloer of plafond.

Betekenis

Een voeg is de ruimte of het zichtbare gedeelte van de metselmortel of lijm tussen gelijksoortige delen zoals bakstenen, tegels of gipsplaten. De voeg bepaalt mede het uiterlijk van metselwerk en vervult technische functies zoals afvoer en ventilatie van vocht; blijft een opening voor een groot deel open, dan spreekt men meestal van een naad.

Toepassing

Voegen komen voor in zowel dragende als niet-dragende delen en in uiteenlopende materialen.

  • Tussen bakstenen in gevelmetselwerk en binnenmuren.
  • Tussen tegels en laminaattegels als zichtbare of namaakvoeg.
  • Tussen gipsplaten en andere wand- en plafondbekledingen.
  • Als constructieve opening (constructieve voeg of dilatatievoeg) om bewegingen te scheiden, die niet met specie mogen worden opgevuld.
  • Als zetvoeg om zetting van een gebouw of deel ervan op te vangen.

Aandachtspunten

  • Houdt rekening met voegdikte, steengrootte, voegkleur en voegtype; deze factoren bepalen in belangrijke mate het uiterlijk van de gevel.
  • Voegen kunnen tot ongeveer 25% van het metselwerk beslaan; grotere bakstenen vragen bredere voegen.
  • Voorkom lege ruimtes tussen metselwerk en voegmortel om waterophoping te vermijden en vorstschade aan de voeg tegen te gaan.
  • Vul constructieve voegen niet met metselspecie of gelijkaardige middelen.
  • Bij herstelwerkzaamheden zijn vaak steigerwerk, uitslijpen/uithakken van bestaand voegwerk, reinigen, nieuw voegwerk en eventueel hydrofoberen nodig.

Uitvoering

  • Gebruikelijke werkwijze: tijdens metselen voorkomt de metselaar dat de mortel tussen de stenen uitkomt en krabt men de voeg uit tot een diepte gelijk aan de voeghoogte; later werkt de voeger de voeg af met voegmortel in de gewenste vorm.
  • Uitkrabben verwijdert deel van de oorspronkelijke specie om een dikkere, steviger eindvoeg te verkrijgen.
  • Doorstrijken: het metselen en voegen in één handeling waarbij de metselaar de mortel direct met een voegroller of voegspijker afwerkt tot het gewenste voegtype, waardoor een monolithisch geheel tussen stenen ontstaat en slechte aanhechting vermeden wordt.

Materialen / uitvoeringsvormen

  • Voegmateriaal: metselmortel (specie) of lijm; keuze beïnvloedt de voegdikte en het uiterlijk (gevulde voegen versus smallere lijmvoegen of vrijwel voegloos).
  • Restauratie: hydraulische kalkmortel wordt vaak toegepast omdat deze minder hard is en minder snel verweert dan cementgebonden voegmiddel.
  • Voegen kunnen visueel verschillen als: dikke voeg, dunne voeg of (vrijwel) voegloos.

Typen en voorbeelden

Voorbeelden van voegtypes zijn onder andere bolgeklopte voeg, dagvoeg, geslepen voeg, geknipte voeg, holle voeg, koude voeg, platvol geborstelde of gekamde voeg, platvol gladde voeg, schaatvoeg, schaduwvoeg, teruggehouden voeg en verdiepte voeg.

Verschil met naad en bouwnaad

  • Naad: term die gebruikt wordt wanneer de opening tussen delen voor een fors deel open blijft; een naad is vaak minder gesloten dan een voeg.
  • Bouwnaad: meestal een voeg, maar omdat de raken delen uit een andere bouwperiode kunnen komen, wordt dit doorgaans een naad genoemd.