Volkshuisvesting
Volkshuisvesting is door de overheid gestuurde, gesubsidieerde en vaak als "verantwoorde" omschreven huisvesting voor grote groepen inwoners.
Betekenis
Volkshuisvesting betreft door de overheid gestuurde en gesubsidieerde maatregelen om verantwoorde huisvesting voor grote groepen mensen te realiseren. Historisch lag de nadruk vooral op sociale woningbouw: huurwoningen zonder winstoogmerk voor minder draagkrachtigen.
Toepassing
Volkshuisvesting wordt ingezet om betaalbare en kwaliteitsvolle woningen te bieden.
- Bouwen en verhuren van sociale huurwoningen door gemeentelijke of gesubsidieerde organisaties.
- Ontwikkelen van nieuwe wijken, woonblokken en tuindorpen.
- Uitvoeren van stadsvernieuwing, sloop/nieuwbouw en renovatieprojecten.
- Realiseren van specifieke voorzieningen voor kwetsbare groepen, zoals woonscholen en opvangwoningen.
Aandachtspunten
- Doelgroep: oorspronkelijk vooral minder draagkrachtigen en grote gezinnen die geen woning konden kopen.
- Gezondheids- en sociale doelen: verbeteren van woonkwaliteit (licht, lucht, verwarming, tuin) had ook als doel gezondheid, scholing en maatschappelijke verheffing.
- Marktwerking: commerciële invloeden en een commerciële insteek bij corporaties hebben sinds de jaren 1980–1990 tot kritiek en problemen geleid.
- Ruimtelijke aspecten: veranderende voorkeuren leidden tot diverse bouwvormen (laagbouw, hoogbouw, galerijflats, woonerven, bloemkoolwijken) en tot aandacht voor menselijke maat en groen.
Oorzaken van ontstaan
- Wijdverbreide armoede door ziekte, weduwschap, dronkenschap en andere oorzaken.
- Grote gezinnen met beperkte woonruimte; veel gezinnen hadden meerdere kinderen en woonden vaak met veel gezinsleden op geringe oppervlakte.
- Kredietbegrenzingen: geldverstrekkers eisten zekerheden, waardoor alleen rijken eigen woningen konden financieren.
- Tekort aan goedkope stedelijke woningen door industrialisatie en trek naar steden.
- Idealistische motieven: humanitaire of sociale doeleinden om het volk te verheffen en sociale onrust te verminderen.
Geschiedenis
De ontwikkeling van volkshuisvesting kent een lange en wisselende geschiedenis:
- vanaf 13e eeuw: hofjes als vroeg voorbeeld van collectieve huisvesting.
- 1850–1900: industrialisatie, stadsvergroting en ontstaan van krottenwijken; particuliere religieuze woningbouwverenigingen en rug-aan-rug-woningen.
- 1880–1935: fabriekdorpen en particuliere tuindorpen met vaak aanvullende voorzieningen.
- Beginnend rond de Woningwet (begin 20e eeuw) werd kwaliteit en financiering voor gemeenten en woningbouwcorporaties geregeld; de "eeuw van de volkshuisvesting" begint hiermee.
- 1910–heden: opkomst van gemeentelijke woningbedrijven, nieuwe wijken, woonblokken en gemeentelijke tuindorpen.
- 1920–heden: speciale woningen voor probleemgezinnen en woonscholen.
- 1925–1945: crisis en oorlog leiden tot terugval; kenmerkende arbeidershuisjes, rijtjeshuizen en lage woonflats.
- 1950–1965: wederopbouwperiode met nadruk op snelle en goedkope bouw (rijtjeshuizen, lage flats).
- 1960–1970: grootschalige stadsuitbreiding, hoogbouw en galerijflats.
- 1970–1980: verzet tegen grootschalige hoogbouw; aandacht voor menselijke maat, woonerven en groen.
- 1970–heden: stadsvernieuwing met sloop/nieuwbouw, renovatie en optoppen.
- 1980–1990: verschuiving naar bouwen voor beter-bedeelden; marktgerichte politiek in de woningbouw.
- 1990–2005: Vinex-wijken en nieuwe uitbreidingswijken, met nadruk op plannen buiten het platteland.
- 1995–heden: terugkeer naar kleinschaligheid, diversiteit in bouwstijlen, mix van functies en new urbanism.
- 2005–2008: focus op dienstverlening; blijvende woningnood.
- 2008–heden: scherpe kritiek op sommige woningcorporaties, beleidswijzigingen zoals decentralisatie en deregulering en belemmeringen voor woningbouw.