Betonconstructies
Betonconstructies zijn bouwdelen of elementen uitgevoerd in cementbeton met uiteenlopende samenstellingen en uitvoeringswijzen.
Betekenis
Betonconstructies bestaan uit beton (gewoonlijk cementbeton) dat ontstaat uit een mengsel van grof toeslagmateriaal, zand, cement en water. De eigenschappen van het beton worden bepaald door de samenstelling van de betonspecie en de verwerking (storten, verdichten en nabehandeling).
Toepassing
Betonconstructies worden geproduceerd en verwerkt als stortklaar beton of als pompbeton en toegepast waar massieve, vormbare en drukvaste materialen vereist zijn.
- Storten van beton in bekisting voor draagstructuren en prefab-elementen.
- Gebruik van pompbeton om specie rechtstreeks in het werk te brengen.
- Toepassing van vloeibeton waarbij een superplastificeerder vlak voor het storten de verwerkbaarheid vergroot.
- Herstellingen met spuitbeton (microbeton).
- Ballast en afscherming tegen radioactieve straling met zwaar beton.
Aandachtspunten
- Consistentie van de betonspecie varieert van droog (categorie 0) tot slap (categorie III) en bepaalt de verwerkbaarheid.
- Water-cementverhouding ligt typisch tussen 0,40 en 0,70 en beïnvloedt zowel verwerkbaarheid als uiteindelijke sterkte.
- Verdichting is vereist om lucht uit de specie te drijven; dit kan op de werf door aanstampen of trillen gebeuren.
- Superplastificeerders verhogen tijdelijk de slump zonder nadelige invloed op de sterkte, maar hebben een korte werktijd.
- Bij cyclopenbeton vereist het inbedden van grotere stenen of het injecteren/percoleren van vulmortel specifieke uitvoeringsmethoden (injectie onder druk, percolatie door zwaartekracht).
Materialen / uitvoeringsvormen
- Ongewapend beton: traditioneel cementbeton (grof toeslagmateriaal, zand, cement, water).
- Stortklaar beton: betonspecie geleverd door betoncentrales voor directe verwerking op de werf.
- Pompbeton: betonspecie aangepast voor het verpompen en rechtstreekse stort in het werk.
- Vloeibeton: gewone betonspecie waaraan onmiddellijk vóór het storten een superplastificeerder wordt toegevoegd.
- Spuitbeton (microbeton): fijnkorrelig mengsel dat met verneveld water tegen een draaglaag wordt aangebracht; vooral geschikt voor herstellingen.
- Cyclopenbeton: beton met ingebedde breukstenen, verkrijgt men door laagsgewijs storten en inbedden of door injectie/percolatie van vulmortel.
- Zwaar beton: gemaakt met zware toeslagmaterialen (bijv. bariet, loodslakken) met een volumemassa van minstens 3000 kg/m³.
- Licht beton: gemaakt met lichte toeslagmaterialen (natuurlijk of geëxpandeerd) met volumemassa's van ongeveer 500–1800 kg/m³.
- Beton met plantaardig toeslagmateriaal: voorbeelden zijn houtkrullenbeton en houtwolbeton.
- Structuurvarianten: korrelbeton en halfopen beton (openingen door weglating van zand) versus volle beton.
Uitvoering
- Betonspecie wordt gestort in een bekisting; de gekozen consistentie bepaalt de benodigde verdichtingsmethode.
- Verdichten op de werf gebeurt door aanstampen bij droge specie of door trillen; in betonwarenfabrieken worden ook persen, centrifugeren en schokken toegepast.
- Pomp- en stortmethoden van betoncentrales omvatten ook het verhuren van pompen om specie rechtstreeks in het werk te brengen.
- Voor cyclopenbeton en injectiewerkzaamheden wordt vaak geactiveerde vulmortel gebruikt, die mechanisch of door hulpstoffen vloeiend en stabiel gemaakt is.
Volumemassa (indicatieve waarden)
- Gewoon beton: ongeveer 2 300 tot 2 400 kg/m³.
- Zwaar beton: minstens 3 000 kg/m³.
- Licht beton: tussen circa 500 en 1 800 kg/m³.