Breeuw
De breeuw is de opgaande rand van de rietbedekking bij de zijkant van een rietdak, zichtbaar in de rietstengels.
Betekenis
De breeuw is de opgaande kant van de rietbedekking aan de zijkant van een rietdak, meestal bij een overstek, waar men in de rietstengels kijkt. De breeuw vormt de rand van het rietdak en kan in een schuine of rechte hoek ten opzichte van het dakvlak zijn uitgevoerd.
Toepassing
De term breeuw wordt uitsluitend gebruikt voor de zijdelingse rand van een rietdak.
- Zijdelingse rietafwerking bij een overstek
- Afwerking bij topgevels en zijkanten van het dak
- Onderscheid maken tegenover de voet van het riet en de onderdelen van een dakkapel (bovenste overstek en wangen)
Aandachtspunten
- Waaiervormig uitleggen van het riet vanaf 1,50 m van de zijkant.
- Overstek van het riet: minimaal 150 mm en maximaal 200 mm, gemeten van de knelling naar de achterkant van de onderkant van het riet.
- Per laag één extra stormsteek aanbrengen; bij een breeuw extra stevigheid met een stormsteek op circa 1/3 van de bandmaat met binddraad ter hoogte van de vorige spandraad.
- Riet op een breeuw ligt enigszins gedraaid, waardoor het theoretisch minder goed afwatert; windgevoelige plekken daarom voorzien van extra stormsteken of een omhoog gebogen gaarde.
- Bovenzijde van de knelplank arm schaven; bij topgevels loopt het metselwerk naar achter af.
Typen / uitvoeringen
- Rechte breeuw: haakse hoek ten opzichte van het dakvlak.
- Schuine breeuw: buitenhoek van minder dan 90 graden met het dakvlak.
Onderdelen en materialen
- Gaarde: metalen draad van ongeveer 4 à 5 mm (dubbel gegalvaniseerd) of een lange rechte scheut van wilg met een doorsnede van circa 2 cm; houdt het riet vast aan de onderconstructie.
- Stormsteek: extra steek voor meer stevigheid op kepers en bij breeuwen.
- Knelplank: afwerkingselement waarvan de bovenzijde arm geschaafd wordt.
Verschil met voet en overstek/wangen
- Voet: het riet aan de onderzijde van het dak; wordt niet als breeuw aangeduid.
- Overstek / wangen (bij dakkapel): het bovenste deel van een dakkapel wordt overstek genoemd, de verticale zijden zijn wangen; deze worden niet breeuw genoemd.
Etymologie
De term is afgeleid van het Protogermaanse brewo, via het Middelnederlandse brauwe, en duidt op de rand van het rietdak; vergelijkingen zijn te vinden in woorden als wenkbrauw.