Daliegat

Een daliegat is een ronde, middeleeuwse verlaging in voormalige veenlanden ontstaan door kleiwinning voor verbetering van akkergrond.

Betekenis

Een daliegat is een zeer oude, ronde verlaging in een zavel- en kleigebied dat oorspronkelijk veengebied was. Het is een diepe put waar kalkrijke klei en zavel zijn gewonnen om het zure veen vruchtbaarder te maken; de put werd daarna meestal weer volgestort met veen en huiselijk afval. Daliegaten zijn kleine landschapselementen en overblijfselen van middeleeuwse kleiwinning.

Toepassing

Daliegaten zijn landschappelijke en archeologische sporen van landbouwpraktijken.

  • Voorkomen in akkerland dat ooit veen was en later voor akkerbouw geschikt gemaakt werd.
  • Aanwezig in regio's met veenlaag boven kalkrijke klei, zoals delen van Noord- en Zuid-Holland en Utrecht.
  • Voorkomen vaak in concentraties in een veld, soms gerangschikt in rijen evenwijdig aan sloten.

Aandachtspunten

  • Bodem van een daliegat toont zich vaak als een bijna zwarte veenplek in de klei.
  • Daliegaten bevatten ingeklonken veen, baggerafval uit sloten en huisafval (bijv. potscherven).
  • Het maaien van gras wordt gehinderd door een ongelijk oppervlak (het "poffertjespan"-effect).
  • Daliegaten keren vaak terug na opvulling doordat het veen in de kuil blijft inklinken.

Ontstaan

  • Veen werd plaatselijk weggeschept om bij dieperliggende kalkrijke klei te komen; vaak moest men 3 à 4 m veen verwijderen om de kleilaag te bereiken.
  • De kleilaag werd circa 2 m diep uitgegraven, waardoor men tot ongeveer 5 à 6 m onder maaiveld groef.
  • De uitgegraven klei en zavel werden gebruikt om de veengrond vruchtbaarder te maken; het veen uit de kuil werd vaak langs de rand gedeponeerd.
  • Na het winnen van de klei werden de kuilen gevuld met het omringende veen en met huisafval en baggermateriaal.
  • Door inklinking van het veen in de kuil ontstond na verloop van jaren een blijvende verlaging: het daliegat.
  • Egaliseren en herhaald opvullen maakten daliegaten niet definitief onzichtbaar omdat het veen in de kuil blijft inklinken.

Kenmerken

  • Ligging: kleigebied dat vroeger veengebied was.
  • Vorm: ronde, ondiepe kuilen in akkerland.
  • Diameter: doorgaans 2 à 5 m; sommige 5 à 7 m.
  • Huidige diepte: 5 à 25 cm.
  • Oorspronkelijke diepte na uitgraven: circa 4 à 5 m.
  • Inhoud: ingeklonken veen, bagger uit sloten en huisafval (waaronder potscherven).
  • Dichtheid: meestal in grote aantallen per hectare; circa 20 daliegaten per ha was gebruikelijk, soms 200 à 300 per ha.
  • Verspreiding: vooral in Noord- en Zuid-Holland en Utrecht (bijv. West-Friesland, Beemster, Zeevang, Buytenpark in Zoetermeer); ook in Groningen zijn vergelijkbare termen en verschijnselen beschreven.
  • Periode van ontstaan: grofweg van de 9e tot en met de 13e eeuw.