Fundering, een stukje geschiedenis

Historische ontwikkeling van funderingsmethoden in het westelijke, moerassige deel van Nederland, van houten palen naar betonnen palen.

Betekenis

Dit artikel schetst de ontwikkeling van funderingspraktijken in het westelijke, moerassige deel van Nederland, waarbij houtlang de hoofdrol speelde en later beton de methoden wijzigde. De overgang van bouwvlotten en compacte slieten naar gekoppelde lange heipalen en uiteindelijk betonnen palen illustreert veranderende inzichten in draagkracht en bouwtechniek.

Toepassing

Historisch gebruikte funderingsmethoden in verschillende contexten:

  • In houten bebouwing werden gevels aan of tussen in de grond gestoken palen bevestigd.
  • Bij kerken en verdedigbare huizen werden draagconstructies voor steenbouw gemaakt op bouwvlotten en later op geheid paalmateriaal.
  • In de Zaanstreek werden veel huizen gebouwd op penanten of poeren en voetingmuren onder skeletstijlen geplaatst.

Aandachtspunten

  • Houten funderingen: altijd geheel onder de laagste waterstand houden.
  • Grondwerk: onder houten funderingen is omvangrijk grondwerk noodzakelijk om aanwaterpeil te garanderen.
  • Overgang naar beton: betonnen opzetters en betonbalken kunnen op houten palen worden aangebracht.
  • Diepere draaglagen: geheel betonnen palen worden toegepast om zware bouwwerken op vaste zandlagen te laten dragen.

Ontwikkeling / historische lijn

  • Oorspronkelijk werd in het westelijke moerassige deel voornamelijk in hout gebouwd, waarbij gevels en dakconstructies direct aan palen waren bevestigd.
  • Tot ca. 1275 gebruikte men bouwvlotten van dwarsliggende paaltjes met lange palen in lengterichting van muren.
  • In de 14e eeuw werden korte slieten (ca. 2 m) dicht tegen elkaar geheid onder het vlot om door verdichting meer draagkracht te verkrijgen; deze werden ook compactiepaaltjes genoemd.
  • Een verfijning bestond uit het afvlakken van het vlot met dikke gekloofde planken.
  • Eind 14e eeuw werden slieten geheid tussen een roosterwerk van aan elkaar genagelde ronde eikenstammen, met korte dwarsliggende rondhouten.
  • Van begin 16e eeuw tot na de 17e eeuw maakten men roosters van behakte ribben, onderling verbonden met zwaluwstaartverbindingen.
  • In deze vakken werden palen van verschillende zwaarte en lengte geheid; het inzicht dat enkele lange palen tot op vaste zandlaag evenveel draagkracht konden hebben als een bos slieten leidde tot het koppelen van verder uit elkaar staande palen.
  • Vanaf de 17e eeuw werd de zo ontstane, gekoppelde paalfundering algemeen toegepast (Amsterdamse funderingsmethode).
  • In de Zaanstreek bleef vanwege de houten bouw een eenvoudigere methode gangbaar, met constructies op penanten, poeren en voetingmuren.

Benamingen van heipalen

  • Joffers of juffers: lengten van 18 tot 24 voeten.
  • Dubbele 12 elles: zwaarder dan juffers en 22 voet lang.
  • Kolders: kortere juffers, circa 6 voet lang.
  • Sparren: lichtere juffers.
  • Spieren: meestal langer en zwaarder dan sparren, met weinig of geen kwast.
  • Stokken: zeer dunne paaltjes, vaak van ander hout dan naaldhout; tot bosje bij elkaar geheid en ook slieten genoemd.
  • Masten of mastpalen: langere heipalen van 36 tot 44 voet lang.

Heimethoden

  • Handheien: kleinere palen werden met de hand geheid; vaak werd eerst een gat gegraven, de paal geplaatst en met een marie (lange stam met een middenholte passend om de paal) door 5 à 6 man in de grond gedrukt; daarna werd de marie verwijderd en begon het heien.
  • Trekhei: het heiblok werd door vele mannen omhoog getrokken en losgelaten; het aantal heiers varieerde naar zwaarte van het blok van ongeveer 20 tot 30 man.
  • Ritme en traditie: bij het gezamenlijk optrekken van het heiblok zong de heibaas in sommige streken een heilied van 3 × 10 regels; de 30 slagen met het heiblok noemde men vroeger (en nu nog) een tocht. Heimateriaal voor gemeenschappelijk gebruik werd soms bij de kerk in bewaring gehouden; hiervoor bestond de benaming kerckhei of keckhay in de 17e en 18e eeuw.

Tegenwoordige tijd

  • Houten funderingen vereisen dat ze permanent onder de laagste waterstand blijven, wat veel grondwerk met zich meebrengt.
  • Betonconstructies brachten belangrijke wijzigingen: betonnen opzetters kunnen op houten palen worden meegedein en daarover kunnen betonbalken worden gestort.
  • Geheel betonnen palen worden steeds meer toegepast; zij kunnen in grote lengten worden uitgevoerd en zijn noodzakelijk wanneer zware bouwwerken moeten dragen op diepere vaste zandlagen.