Gotiek
Gotiek (1135–1500) is een in de 12e eeuw in Frankrijk ontstane bouwstijl met skeletconstructies van ribben, zuilen en luchtbogen.
Betekenis
Gotiek is de opvolger van de Romaanse bouwkunst en introduceert een nieuwe constructiemethode waarbij de massa van overspanningen wordt gedragen door ribben, kolommen en luchtbogen. Daardoor verloor de muur veelal haar dragende functie, ontstonden grotere en hogere vensters en konden gebouwen aanzienlijk hoger worden opgebouwd.
Toepassing
De stijl is vooral toegepast in kerk- en kathedraalbouw, maar ook bij burgerlijke bouwwerken.
- Bouw van kathedralen in de vorm van kruiskerken (basilieken) met hoofdaltaar en zijaltaren.
- Ontwerp van kooromgangen en straalkapellen.
- Inbouw van hoge glas-in-loodramen en grote roosvensters boven portalen.
- Constructieve toepassing van kruisribgewelven en later ster-, net- en waaiergewelven.
- Gebruik van luchtbogen om de constructie buiten het gebouw te brengen.
Aandachtspunten
- Skeletconstructie vereist externe steun (luchtbogen) en bundelpijlers waar ribben in vloeiend overgaan.
- Spitsbogen geleiden belasting efficiënter dan Romaanse bogen en veroorzaken minder spatkrachten op het gewelf.
- Hoge ramen vergen uitgebreide glas-in-lood toepassingen en beïnvloeden de daglichttoetreding en beleving van binnenruimten.
- Late Gotiek (flamboyantstijl) legt extra nadruk op decoratie en technische verfijning, soms bijna experimenteel.
- Regionale varianten gebruiken verschillende materialen (bijvoorbeeld lichte natuursteen, donkere ijzerzandsteen of veel baksteen).
Kenmerken
- Kathedralen vaak in kruisvorm (basilieken) met meerdere altaren.
- Skeletconstructie van bogen en kolommen; een deel van het geraamte bevindt zich buiten het gebouw door luchtbogen.
- Grotere en hogere ramen, waardoor meer licht binnentreedt en een gevoel van openheid ontstaat.
- Meest typerende motief: de spitsboog.
- Luchtbogen en roosvensters: grote roosvensters boven het portaal komen veel voor.
- Vernieuwend gewelftype: kruisribgewelf; later ook stergewelf, netgewelf en waaiergewelf.
- Bundelpijlers waarbij ribben vloeiend overgaan in kolomribben.
- Beeldhouwwerk met zowel religieuze als lokale symboliek (monsters, fabeldieren) en decoraties als hogels, kruisbloemen, koolbladen, wimberg en driepassen.
- Opvallend omhoogstrevend karakter dat verticaal spiritualiteit symboliseert.
Perioden
- 1135–1200: vroege Gotiek (soms Romanogotiek genoemd) met eenvoudige raamtraceringen.
- 1200–1400: hoge Gotiek of hooggotiek (ook "art rayonnant").
- 1400–1500: late Gotiek of flamboyante Gotiek ("art flamboyant"), met sterkere concentratie op decoratie en technische verfijning.
Regionale varianten
- Brabantse Gotiek: variant in Vlaams en later Nederlands Brabant, gekenmerkt door lichte natuursteen en veel detaillering.
- Demergotiek: variant in Vlaams-Brabant, gekenmerkt door donkere, roestbruine ijzerzandsteen, soms gecombineerd met witte kalksteen.
- Kempense Gotiek: eenvoudiger van aard.
- Nederrijnse Gotiek: gangbaar in het westen van Noordrijn-Westfalen en delen van Nederland; kenmerkend veelvuldig gebruik van baksteen.
Engelse benamingen en stijlen
- 1170–1240 Early English (Lancet Style): vergelijkbaar met vroege Gotiek; kenmerkend zijn dubbele dwarsschepen, schermgevels met minder hoge torens, spitsbogen en lancetvensters zonder maaswerk, hoge muren en gewelfde stenen daken.
- 1240–1350 Decorated Style (Curvilinear Style): nadruk op gebogen lijnen en rijke ornamentatie in plaats van structurele vernieuwingen; veel steenmaaswerk en gewelfribben met meerdere ribben (bijv. liernes en tiercerons); beginfase ook Geometric Style genoemd.
- 1350–1500 Perpendicular Style: dominantie van de verticale lijn, met smalle panelen en zeer grote ramen.
Voorbeelden
- Kathedraal St. Étienne van Sens (1135): vroeg voorbeeld met gebruik van kruisribgewelf; initiatief van aartsbisschop Henri Sanglier.
- Abdijkerk van St. Denis (1140, ten noorden van Parijs): verbouwing door abt Suger en algemeen genoemd als het eerste gotische bouwwerk.