Kwel

Kwel is uittredend grondwater dat door hoogteverschillen of doorlatende lagen aan de oppervlakte kan komen.

Betekenis

Kwel is grondwater dat door natuurlijke of kunstmatige hoogteverschillen in grondwaterspiegels of via doorlatende ondergronden naar hoger gelegen terreinen of polders treedt en lokaal aan de oppervlakte kan komen. In rivierengebieden komt kwel bij extreem natte omstandigheden regelmatig voor; de mate en gevolgen verschillen per locatie door factoren zoals grondslag, maaiveldhoogte, waterhuishouding op het terrein en bouwwijze van gebouwen.

Toepassing

Kwel verschijnt in verschillende waterbouwkundige en civieltechnische situaties.

  • Bij dijken en bandijken, waar grondwater onder of door de kering sijpelt.
  • In polders en langs sloten, waar kwel kan leiden tot plassen en volle sloten.
  • Rond kunstwerken en sluizen, waarbij vergelijkbare stromingen kunnen optreden.
  • Bij tunnelbouw en ondergrondse werken, waar kwel grondwaterstroming en waterstanden beïnvloedt.
  • In landbouwgebieden, waar kwel van zout water schadelijk kan zijn voor gewassen.

Aandachtspunten

  • Verwijdering: bij overmatig vullen van sloten wordt het kwelwater vaak afgevoerd met stuwen en gemalen.
  • Zandtransport: als kwel gepaard gaat met het meevoeren van zand of gronddeeltjes spreekt men van piping; dat vormt een faalmechanisme voor dijken.
  • Dijkveiligheid: kwel kan de kleilaag van een dijk aantasten en tot bezwijken leiden; zout kwelwater aan de landzijde is ongewenst voor landbouw.
  • Bodemintrusie: doorboringen kunnen kwel uit dieper gelegen zandlagen veroorzaken en water tot aan de oppervlakte brengen.
  • Bemalingseffecten: bronbemaling om kwel te beheersen kan de grondwaterstand te laag maken en bijvoorbeeld leiden tot droge houten paalkoppen en paalrot bij oudere gebouwen.

Termen in verband met kwel

  • Kwelwater: water dat bijvoorbeeld door een dijk heen sijpelt of vanuit zee onder ondoorlatende lagen kan doorstromen.
  • Kwelweg: de route die kwelwater door de dijk volgt, van intreepunt tot uittreepunt.
  • Kwellengte: de afstand die het water door de grond moet afleggen om aan de binnenkant van een waterkering uit te treden.
  • Kwelkade: een achter de bandijk gelegen, ongeveer een halve meter hoge kade die kwelwater opvangt en door tegendruk de kwel beperkt.
  • Kwelsloot: een sloot aan de voet van de dijk om kwelwater op te vangen en af te voeren.
  • Piping: het meevoeren van gronddeeltjes (vaak zand) door kwelstromen; kan de stabiliteit van een dijk bedreigen.
  • Kwelscherm: een ondoorlatende, verticale constructie (zoals een kleikist) om de kwelweg te stoppen of te verlengen.
  • Wel: het opborrelen van kwelwater, bijvoorbeeld in een sloot.
  • Wegzijging: het tegengestelde van kwel; het droogvallen van een sloot of greppel.
  • Kwelder: een kustgebied met zoutminnende flora dat bij vloed overstroomt; onderscheidt zich van kwel.

Kwel bij civiele werken

  • Tunnelbouw: kwel kan het moeilijk maken de grondwaterstand op peil te houden; bronbemaling is een gebruikelijke maatregel om waterstanden te verlagen.
  • Nadelen van bemaling: langdurige bronbemaling kan tot verlaging van de grondwaterstand leiden met nadelige gevolgen voor nabijgelegen oudere bouwwerken (bijvoorbeeld paalrot).
  • Alternatieven: tunnels kunnen in het droge worden gebouwd en met onderwaterbeton of vergelijkbare middelen worden afgedicht om te voorkomen dat kwelwater aan de oppervlakte treedt.