Pingo

Een pingo is een heuvel met een lensvormige ijskern die kan instorten tot een pingoruïne met een vaak watergevulde depressie.

Betekenis

Een pingo is een meestal lage heuvel met een lensvormige ijskern van ijs; door de aangroei van die ijslens wordt de bovenliggende grond omhooggeduwd. Een pingoruïne is de depressie of krater die overblijft wanneer de bodem onder een pingo ontdooit en de heuvel instort, vaak met een meertje in de verzonken kom.

Toepassing

Pingo's en pingoruïnes komen voor in koude en postglaciale landschappen.

  • Voorkomen in toendragebieden, met exemplaren tot circa zestig meter hoog.
  • Aanwezig op plaatsen waar permafrost niet geheel gesloten is en kwelwater kan binnendringen.
  • Voorbeelden in Groenland en Noord-Canada (onder meer in de Mackenzie-delta).
  • In Nederland terug te vinden als pingoruïnes, vaak als kleine meertjes of depressies.

Aandachtspunten

  • Groeimechanisme: kwelwater in gaten in de permafrost kan een ondergrondse ijslens doen aangroeien.
  • Bodemdoorlatendheid: bij ondoorlatende bodems kan gedeeltelijk ontdooid ijs niet wegzakken, wat pingo-groei bevordert en later tot een pingoruïne leidt.
  • Herkenning: de karakteristieke kratervorm ontstaat door het afglijden van materiaal van de rand in het meertje.
  • Identificatie: wallen van pingoruïnes zijn vaak door erosie verdwenen, waardoor herkomst onzeker kan zijn.
  • Vulling: vele pingoruïnes zijn inmiddels niet meer met water gevuld omdat het water door verlanding en veenvorming is veranderd.

Werking / principe

Pingo's ontstaan door de aangroei van ijslenzen vlak onder het oppervlak. Ideale omstandigheden zijn locaties met permafrost die niet volledig gesloten is, zodat kwelwater via openingen kan toestromen en bevriezen tot een lens. Die ijslens duwt de bovenliggende grond omhoog en vormt zo een heuvel. Wanneer de bodem onder een pingo ontdooit, kan het gesmolten water via scheuren wegstromen; de ondersteunende ijskern verdwijnt en de heuvel zakt in, waarna een kraterachtige depressie met een meertje kan achterblijven.

Voorbeelden

  • Groenland en Noord-Canada kennen omvangrijke pingo's.
  • In Nederland zijn pingoruïnes zoals het Ganzemeer (Friesland, nabij Drachten) en het Uddelermeer (Veluwe) bekend; Nederlandse pingoruïnes zijn meestal enkele meters diep, het Uddelermeer heeft een diepte van ruim 17 m.
  • In de Mackenzie-delta zijn twee grote pingo's gedocumenteerd.

Terminologie en verwante begrippen

  • Pingoruïne: collapsed pingo (Engels), een ingestorte pingo die vaak een meertje bevat.
  • Dobbe: naam voor het meertje dat vaak in de depressie van een pingoruïne ontstaat; dobben zijn meertjes die door een wal omringd worden en kunnen ook kunstmatig zijn.
  • Het woord pingo is afgeleid van het Inuit pinguq, letterlijk "heuvel die groeit".