Viaduct
Een viaduct is een civiel kunstwerk voor een ongelijkvloerse kruising van een weg over een weg, spoor of dal.
Betekenis
Een viaduct is een brug in de civiele techniek die een weg ongelijkvloers over een andere weg, spoorlijn of dal voert; het is geen brug over water. Het doel is doorgaans om zowel het verkeer op het viaduct als het verkeer eronder een ongestoorde doorgang te geven.
Toepassing
Een viaduct komt voor waar wegen of verkeersassen elkaar ongelijkvloers kruisen, en in specifieke gevallen ook voor fauna- of voetgangersoversteken.
- Overbruggen van een autoweg of andere verkeersweg
- Overkruisen van een spoorlijn
- Overbruggen van een dal of andere obstakels
- Als ecoduct om dieren een veilige oversteek te bieden
- Voor voetgangers- of fietsverkeer als brug of voetgangersviaduct
Aandachtspunten
- Doorrijhoogte (vrije hoogte onder het viaduct) bepaalt welk verkeer eronder kan passeren.
- Onderkanten van viaducten moeten worden gemarkeerd indien de vrije hoogte kleiner is dan 4,2 m.
- Voor vrije hoogten tot 4,0 m wordt verkeersbord C19 toegepast; vanaf 4,0 m wordt verkeersbord L01 gebruikt.
- De breedte van een viaduct is meestal beperkt tot het wegdeel; bij grotere overspanning van het onderliggende volume spreekt men eerder van een tunnel.
- De lengte van individuele velden hangt af van de gekozen constructie en bouwwijze.
Eisen / regelgeving
- In Nederland is een doorrijhoogte van circa 4,6 m gebruikelijk voor snelwegen.
- Markering van de onderkant is vereist bij een vrije hoogte kleiner dan 4,2 m.
- Bepaalde verkeersborden worden toegepast afhankelijk van de vrije hoogte (C19 tot 4,0 m, L01 vanaf 4,0 m).
Constructie en materialen
- Viaducten bestaan vaak uit een reeks korte overbruggingen of "velden".
- De toepassing van hogesterktebeton (hsb) vergroot de mogelijke overspanning van plaatviaducten van circa 45 m naar circa 65 m.
- Bij hsb kan de constructiehoogte relatief kleiner zijn dan bij normaal beton.
Soorten viaducten
- Verkeersviaduct: viaduct voor gemotoriseerd verkeer en eventueel fietsers en voetgangers.
- Spoorviaduct: viaduct waarover treinverkeer gaat.
- Voetgangers-/fietsvíaduct: viaduct uitsluitend voor voetgangers en fietsers.
- Ecoduct: viaduct dat dieren een min of meer ongestoorde oversteek over de onderliggende weg mogelijk maakt (ook wildviaduct, dierenviaduct, ecopassage e.d.).
- Kokerviaduct: viaduct waarvan het wegdeel de vorm heeft van een brede kokerligger.
- Plaatviaduct: viaduct waarvan het wegdeel de vorm heeft van een lange, brede plaat.
- Duikerviaduct: viaduct dat is gebouwd met een duiker (vaak aangeduid als duikerbrug).
- Fly-over: speciaal type viaduct, vaak enkel in één richting toegepast binnen knooppunten.
- Dive-under: samenstel van wegen waarbij een weg onder maaiveld duikt (vergelijkbaar met korte tunnelachtige voorzieningen).
Overige opmerkingen
- Het bouwen van viaducten valt binnen de grond-, weg- en waterbouw (gww).
- De term viaduct is ontleend aan het Engelse neologisme en is via analogie van aquaduct afgeleid van het Latijnse via (weg) en ductus (leiding).