Graniet

Graniet is een natuursteen en stollingsgesteente (dieptegesteente) met een grofkristallijne, gespikkelde en gelijkmatige structuur.

Betekenis

Graniet is een natuursteen en een dieptegesteente dat ontstaat door langzame stolling in de diepte; het heeft een grofkristallijne, gespikkelde en gelijkmatige structuur in alle richtingen. De steen bestaat vooral uit kwartskorrels, alkali-veldspaat (die de kleur bepaalt), witte plagioklaas en zwarte biotiet (mica).

Toepassing

Graniet wordt zowel structureel als decoratief gebruikt.

  • Metselen van onregelmatige buitenmuren met zwerfkeien.
  • Gebruik als fundering bij oudere bouwwerken (bijv. kerken en torens met grotere zwerfkeien).
  • Vloeren in situaties met veel beloop vanwege de hoge hardheid en slijtvastheid.
  • Binnen- en buitenafwerking: sommige typen (bijv. Labrador Blue) zijn geschikt voor natte ruimtes.
  • Polijstbare, compacte natuursteensoorten worden in de handel vaak als graniet aangeboden voor afwerkingsdoeleinden.

Aandachtspunten

  • Weervast, behalve bij soorten met veel grote glimmers; die soorten verweren sneller.
  • Dicht en zeer hard; goed bestand tegen slijtage, verwering en belasting.
  • Slecht bestand tegen snelle afkoeling: bij brand kan graniet door bluswater uit elkaar spatten.
  • Moeilijk te polijsten, hoewel het na polijsten esthetisch aantrekkelijk is.
  • Bij het bewerken van bepaalde soorten zijn wegens respirabel kwartsstof extra beheersmaatregelen nodig.
  • Kleur en uitstraling variëren sterk met soort en vindplaats; handelsnamen kunnen afwijken van geologische benamingen.

Eigenschappen

  • Weervast (algemeen).
  • Dicht materiaal en zeer hard.
  • Goed bestand tegen slijtage en mechanische belasting.
  • Slecht bestand tegen snelle thermische schokken (risico op splijting).
  • Esthetisch vanwege glinsterende veldspaatkristallen die glans geven.

Materialen / uitvoeringsvormen

  • Kwartskorrels in graniet lijken op grijze gelei.
  • Alkali-veldspaat geeft de steen veelal de karakteristieke bonte kleuren.
  • Plagioklaas komt meestal als witte mineralen voor.
  • Biotiet (zwart, mica/glimmer) verschijnt als parelmoerachtige plaatjes.
  • In de handel wordt "graniet" soms gebruikt voor compacte, polijstbare natuursteensoorten die overwegend uit relatief harde mineralen zoals kwarts en veldspaten bestaan.

Soorten bij restauraties

  • Balmoral (Vehmaa, Finland): donker tot zwarte ondergrond met licht tot donkerrode veldspaatvlekken; variërend van grof- tot fijnkorrelig.
  • Beiers graniet (o.m. Epprechtsteiner, Wildstein, Reinersreuther): wit tot geelgrijze ondergrond, homogeen van structuur en kleur; middel- tot grofkorrelig.
  • Kösseine (Fichtelgebergte, Beieren): grofkorrelig, blauw-grijs; blauwe kleur door insluitsels van cordieriet in microklien; bewerken vereist extra maatregelen wegens respirabel kwartsstof.
  • Idefjord (Østfold, Noorwegen): wit tot lichtroze; bewerken vereist extra maatregelen wegens respirabel kwartsstof.
  • Beucha porfier (omgeving Grimma, Duitsland): granietporfier (een ganggesteente) met grijs tot rood soms groenachtige kleur en gezoneerde alkaliveldspaat; soms gesteenteinsluitsels; bewerken vereist extra maatregelen wegens respirabel kwartsstof.
  • Labrador (Noorwegen): meestal donkergrijs, blauw, bronsgroen of zwart; Labrador Blue is grofkorrelig met reflecterende mineralen en geschikt voor binnen, buiten en natte ruimtes; in de handel wordt Labrador soms aangeboden als larvikiet.

Verschil met porfier

Porfier is een ganggesteente; sommige typen zoals Beucha porfier worden als granietporfier aangeduid, maar petrographisch verschillen gang- en dieptegesteenten in gevormingswijze. Graniet is een dieptegesteente ontstaan door langzame stolling in de diepte.