Löss

Löss is een door de wind gevormde fijnkorrelige, kalkrijke afzetting die lithologisch als siltige leem wordt aangeduid.

Betekenis

Löss is een eolische, geelachtige afzetting met een zeer gelijkmatige fijnkorrelige structuur; 60–85% van de korrels is kleiner dan 0,063 mm. Lithologisch wordt löss gezien als een siltige leem, gekenmerkt door poreus, kruimelig materiaal met kalkhoudende bestanddelen.

Toepassing

Löss komt vooral voor als bodemtype met agrarische waarde.

  • Dient als landbouwgrond vanwege de kalkrijke en fijnkorrelige samenstelling.
  • Biedt goede waterretentie, wat gunstig is in drogere perioden.
  • Vormt vaak een vruchtbare bovengrond door de kruimelige structuur en kleine poriën.

Aandachtspunten

  • Het bovenste deel van het lösspakket is vaak ontkalkt door uitspoeling met water.
  • Löss heeft doorgaans geen gelaagde structuur omdat de afzetting vrijwel constant plaatsvond.
  • De dekdikte bedraagt vaak 5 tot 20 m, op hellingen meestal minder.
  • De korrelgrootte ligt tussen klei en zand; het materiaal is poreus en relatief onvast.

Ontstaan en verspreiding

Löss is in het Weichselien gevormd doordat zand door de wind werd meegevoerd en afgezette in luwte van heuvelruggen, gebergten en op rivierterrassen. De löss-gordel loopt van Noord-België en Zuid-Limburg via Duitsland tot in Rusland; in Nederland komt löss alleen voor ten zuiden van Sittard.

Samenstelling en eigenschappen

  • Overwegend fijnkorrelig (60–85% < 0,063 mm).
  • Samenstelling lijkt sterk op lokaal in de ondergrond voorkomende formaties; mogelijk deels lokaal afgezet zand.
  • Bevat kalk, maar het bovengrondse deel is vaak gedecalcificeerd door uitspoeling.
  • Fysische toestand: poreus, kruimelig en relatief los van structuur.

Etymologie

Het woord löss is ontleend aan het Duitse Löß en het Zwitsers-Duitse lösch (betekenis: los, luchtig), genoemd naar het poreuze en onvaste karakter van de grondsoort.

Vergelijking met mergel

Zie ook mergel voor verwante kalkhoudende bodem- en gesteentsvormingen.