Nis
Een nis is een holte uitgespaard in een wand om een beeld, urn, kaars of ander voorwerp in te plaatsen.
Betekenis
Een nis is een holte uitgespaard in een wand die dienstdoet als ruimte om een beeld, urn, kaars of soortgelijk voorwerp in te plaatsen. De nis heeft meestal een vlakke onderkant, een inwendige vensterbankachtige plaatsing, en kan in verschillende vormen voorkomen zoals rechthoekig, met rond- of spitsboog, driehoekig of schulpvormig.
Toepassing
Nissen dienen als opberg- of tentoonstellingsruimte geïntegreerd in het muurwerk.
- In kerken: voor grote of kleine heiligenbeelden en kandelaars.
- In woningen: als kaarsnis (ook blakernis of lampnis) voor een blaker of lamp.
- Buitenshuis: nissen met een klein dakje vormen miniatuur-kapelletjes ter bescherming tegen regen.
- In graf- en oudheidkundige constructies: rijen nissen in columbaria of exedrae.
Aandachtspunten
- Vormvariatie: nissen kunnen rechthoekig zijn of bogen en schulpvormen hebben; randen kunnen soms uitsteken als een lijst.
- Dakje buiten: een steen of houten dakje voorkomt dat hemelwater de inhoud nat maakt.
- Veiligheid kaarsnis: voor brandveilige plaatsing van een kandelaar of lamp is doorgaans circa 20 cm diepte vereist, dus een dikke muur.
- Plaatsing in gebouwen: kaarsnissen komen meestal op de begane grond of in de kelder voor; op verdiepingen zijn ze zelden aanwezig vanwege taps toelopende kappen en dunnere muren.
- Functionele beperkingen: een nis in een muur beperkt het gebruik van die wand voor bijvoorbeeld kasten of ophangingen.
Architectuur
Een nis verlevendigt het muurwerk en maakt een vlakke wand minder saai; ze zijn voorbeelden van inspringend (terugwijken, indeuken) en uitspringend (uitstulpen, uitkragen, inklemmen) gebruik van muurdelen. Zulke variaties geven gevels en interieurs meer plastiek en visuele interesse.
Kaarsnis (blakernis, lampnis)
- Doel: plaatsing van een blaker (lage kandelaar met handgreep) of lamp, met als voordeel stabiliteit en verminderd walmen doordat de vlam uit tocht en beweging staat.
- Constructie: het bovendeel van de kaarsnis heeft vaak een keperboog (loopt uit in een punt), driepasboog, segmentboog of getrapte vorm om de muur te versterken en te voorkomen dat de bovenzijde zwart blakert van de vlam.
- Nadelen: vereist voldoende muurdikte (ongeveer 20 cm), en het betrokken deel van de muur kan niet voor meubels of kasten gebruikt worden.
- Locatieverschijnselen: in sommige steden (voorbeeld: Leiden) komen kaarsnissen vaak slechts in één langsgevel voor, vermoedelijk om muurdikte en gebruik van andere muren voor meubels te optimaliseren.
Soorten nissen
- Heiligennis (beeldnis): nis speciaal voor een heiligenbeeld of Mariabeeld.
- Aedicula: stenen versiering in nis-vorm.
- Apsis: grote koornis in een kerk, in wezen een groot uitgevoerde nis.
- Blindnis: lijkt op een nis maar is een ondiepe of dichtgemetselde uitvoering.
- Columbarium: grafruimte met rijen oorspronkelijk boogvormige nissen.
- Exedra: in de Griekse en Romeinse oudheid een ruimte of diepe halfronde nis voor bijeenkomsten of discussie.
- Gibbs-surround: muuropening of nis omlijst door blokken rustica.
- Hangnis: ondereinde van een schoorsteenkanaal, met uitkragend gemetseld wangetje.
- Mazier / maiziergat: nis naast een open haard voor benodigdheden of mogelijk een kaars.
- Schoenschraper: kan in de vorm van een nis zijn uitgevoerd.
- Vuurnis: de ruimte in een schouw waar het vuur kan branden.
Historie
De Romeinen pasten nissen al toe, waarmee het gebruik een lange historische continuïteit kent in architectuur en interieurinrichting.