Sluis

Een sluis is een civieltechnisch kunstwerk in een waterkering om watergangen met verschillende waterstanden van elkaar te scheiden of met elkaar te verbinden.

Betekenis

Een sluis is een onderdeel van een vaste waterkering met beweegbare afsluitmiddelen die twee watergangen met doorgaans verschillende waterstanden van elkaar scheidt of met elkaar verbindt. De primaire functie is het mogelijk maken van verkeer over water bij verschillende peilen vóór en achter de sluis. De sluiskolk is de ruimte tussen de sluisdeuren; de deuren zelf vormen de keermiddelen die geopend en gesloten worden.

Toepassing

Een sluis wordt gebruikt voor scheepvaart en voor gecontroleerd waterbeheer.

  • Schutsluizen: doorgang van scheepvaart bij verschillende waterstanden.
  • Stroomsluizen: beheerste afvoer of aanvoer van water (waterhuishouding).
  • Uitwateringssluizen/suatiesluizen: afvoer van overtollig regen- en kwelwater naar zee of rivier.
  • Ontlastsluizen: noodafvoer van binnengekomen water, bijvoorbeeld in zomerdijken.
  • Spuisluizen: voorkomen van dichtslibbing door bij verval slib af te voeren.
  • Inlaatsluizen, irrigatie- en verdeelsluizen: gecontroleerde toevoer van water.

Aandachtspunten

  • Houd rekening met verschillende deurtypen; deuren kunnen rollen of schuiven in deurkassen, maar dat geldt niet voor alle typen.
  • Controleer op nivelleerschuiven onderin de deuren die, aan de hoogwaterzijde, bij opening hoogwater laten doorstromen om het peil te nivelleren voordat de deuren volledig geopend worden.
  • Bij uitbreidingen kunnen sluizen twee of drie kolken hebben om meer of bredere vaartuigen te schutten.
  • Onderscheid maken tussen sluistypen is belangrijk: sommige sluizen dienen primair de scheepvaart, andere primair het waterbeheer of de slibafvoer.
  • Een zwaaiplaats is een plaats om te keren en bevindt zich meestal in het normale deel van een rivier of kanaal; het is geen specifiek onderdeel van de sluis.

Sluistypen

  • Schutsluizen (schutsluis of scheepvaartsluis): bedoeld voor het schutten van schepen tussen verschillende waterniveaus.
  • Stroomsluizen: gericht op beheerste afvoer of aanvoer van water.
    • Uitwateringssluis (suatiesluis): veel toegepast in zee- en rivierdijken; voert overtollig water van boezems en polders af; kan als duiker of als open sluis uitgevoerd zijn; de duur van een lozing heet sluisgang.
    • Ontlastsluis: aanwezig in bijvoorbeeld zomerdijken; functioneert als uitwateringssluis voor noodgevallen en wordt door een schuif geopend.
    • Spuisluis (ook: zijl/zyl/syl): voorkomt dichtslibben van waterwegen door bij groot verval slib mee te voeren; spuikom en getij spelen vaak een rol.
    • Inlaatsluis: laat op gewenste tijden water in om bijvoorbeeld grondwaterstanden te herstellen.
  • Keersluizen: sluizen met stormvloedkeringen en vergelijkbare functies.
  • Militaire sluizen: zoals inundatiesluizen en damsluizen voor verdedigings- of inundatiedoeleinden.

Deuren en kolken

  • Sluisdeuren zijn de afsluitmiddelen (keermiddelen) waarmee een sluis wordt geopend en gesloten.
  • De kolk (schutkolk) is de ruimte tussen de deuren aan de einden van de sluis; meerdere kolken komen voor na uitbreidingen.
  • Veel voorkomende deurtypen zijn onder meer enkele draaideur, puntdeuren, toldeuren, waaierdeuren, kruisende deuren, gekoppelde deuren, klepdeuren, segmentdeuren, roldeuren, schuifdeuren, hefdeuren, schuiven en schipdeuren.

Werking / schutten

Schutten is het proces waarbij een schip in een schutsluis in water van hoger of lager niveau wordt gebracht door de sluiskolk te vullen of te legen en vervolgens de deuren te openen voor doorgang.

Verschil met stuw

  • Sluis: bedoeld om verkeer over water of water zelf doorgang te geven bij verschillende waterstanden vóór en achter de constructie.
  • Stuw: houdt water tegen om het op een bepaald peil te houden en dient daarmee primair voor waterpeilbeheer (bijvoorbeeld ter ondersteuning van grondwaterstand of watervoorziening).