Stiepel
Een stiepel is een uitneembare middenstijl tussen de twee deuren van een baander in Oost-Nederland.
Betekenis
Een stiepel is een losse houten middenstijl (een uitneembare paal of naald) die tussen de twee deuren van een baander wordt geplaatst en fungeert als constructieve sluiting tegen welke deur sluit. De paal stond onder in de 'zul' (houten balk in een stiepelgat) en het bovenstuk eindigde in de houten toog van de niendeuren, oorspronkelijk in de gebintbalk.
Toepassing
De stiepel wordt toegepast in traditionele boerderijdeuren (baanders).
- Als uitneembare middenstijl tussen twee deuren van een baander (staldeur, deeldeur, niendeur).
- Als houten paal waarop de in‑ en uitrijdeuren sluiten.
- Als drager voor een stiepelteken in ongeveer het verticale midden van de paal.
Aandachtspunten
- De stiepel is meestal uitneembaar en staat in een stiepelgat in de drempelbalk ('zul').
- Het stiepelteken werd vaak in het verticale midden aangebracht, eerst gekrast of gegutst, en vanaf de 19e eeuw soms geschilderd.
- Stiepeltekens komen in verschillende vormen voor en kunnen extra symbolen bevatten, zoals kruisen, jaartallen of initialen van de eigenaar.
- De stiepel en het teken hebben zowel een constructieve als een symbolische functie; tekens variëren per regio.
Doel en betekenis van stiepeltekens
Stiepeltekens zijn merktekens of symbolen aangebracht op de stiepel; hun bedoeling was oorspronkelijk mogelijk afwering van bliksem of bescherming tegen boze geesten. Veel tekens werden later gekerstend door er christelijke symbolen aan toe te voegen, zoals een klein kruis of een kelk met hostie. Vaak gaat de oorspronkelijke X‑vorm gepaard met extra symboliek die zowel religieuze als apotropepe doeleinden kan uitdrukken.
Vormen en uitvoeringswijze
- Vorm: oorspronkelijk een langgerekte X; later vaker in de vorm van een zandloper.
- Uitvoering: aangebracht door te gutsen of te krassen; vanaf de 19e eeuw werd ook verf gebruikt.
- Motieven: monstrans, spijkers van het kruis, hart met spijker, kruis‑anker‑hart, zonnewiel, maalkruis, duif, Golgotha‑kruis, mensenpaar (Adam en Eva), uilenbord‑motief, maansikkel, ruit/diamantkop, donderbezem, hartje en zesster (hexagram).
- Combinaties: de X‑vorm werd vaak gecombineerd met een kruis, jaartal of initialen.
Regionale verspreiding en traditie
- Het stiepelteken met kruis kwam vooral voor in het katholieke deel van Overijssel (ten oosten van de lijn Almelo–Diepenheim).
- In Oost‑Twente leeft de traditie van het stiepelteken nog voort; rond Enschede werd de X vaak rood‑wit geschilderd.
- In verschillende dialecten en regio's bestaan andere benamingen en overeenkomende gebruiksvormen (zie Etymologie).
Etymologie en verwante benamingen
De term stiepel is afgeleid van Middelnederlands stipel (stut) en stiper (schoor, stut); in het Vlaams bestaat het woord stijpel (stut, stoelpoot). In West‑Twente en de Achterhoek werd ook middeler gebruikt. Vergelijkbare of verwante begrippen zijn stiep (stut), stolpnaald, tongnaald en metselteken. In het Duitse taalgebied komen namen als Stuipel (Lippe) en Meckler (Münsterland) voor.