Griekse bouwkunst
Griekse bouwkunst omvat de bouwtradities van de Hellenen, met name de monumentale tempelarchitectuur die ook de Romeinen beïnvloedde.
Betekenis
Griekse bouwkunst verwijst naar de architectuur en bouwwijzen van de Hellenen, met een nadruk op religieuze gebouwen zoals tempels. Deze bouwkunst kenmerkt zich door het gebruik van duurzame natuursteen voor tempels, een rijk vocabularium van onderdelen en duidelijke typologieën van tempelplannen.
Toepassing
De Griekse bouwkunst komt vooral tot uiting in religieuze en publieke gebouwen.
- Opmuren van tempels en heiligdommen met natuursteen.
- Constructie van openbare gebouwen en stedelijke structuren binnen de polis.
- Verspreiding van bouwvormen en -kennis via kolonies in het Middellandse-Zeegebied (bijv. Sicilië, Zuid-Italië, Neapolis, Marsiglia).
- Invloed op de Romeinse architectuur en latere bouwpraktijken.
Aandachtspunten
- Tempels werden als oudste bewaarde bouwwerken meestal in duurzame natuursteen uitgevoerd; overige bouwwerken vaak in hout.
- Zuilelementen bestaan uit basement, schacht en kapiteel; de schacht kan monoliet zijn of uit trommels bestaan.
- Het gebouw staat typisch op een stereobaat; het voorfront toont zuilen met daarop het hoofdgestel (entablement).
- Het hoofdgestel is verdeeld in architraaf, fries, geison, timpaan en sima.
- Er bestaan verschillende tempeltypen (bijv. prostylos, peripteros, dipteros, tholos) met specifieke plaatsing van zuilen en ruimten.
De Griekse tempel
De Griekse tempel is het centraal voorbeeld van de Griekse architectuurtraditie en was gewijd aan een godheid. Tempels waren voorzien van een heiligste vertrek en omliggende zuilengangen, en kwamen in meerdere typologische varianten voor.
Typen tempels (volgorde en benamingen zoals beschreven):
- 1 = antae (flankerende muurdelen: zie antentempel)
- 2 = dubbele antentempel
- 3 = prostylos (alleen zuilen aan voorzijde)
- 4 = amfiprostylos (zuilen aan beide zijden)
- 5 = peripteros (tempel rondom omgeven met zuilen)
- 6 = dipteros (dubbele rij zuilen rondom)
- 7 = tholos (ronde tempel met koepeldak; centrale aanleg)
Ruimtelijke onderdelen:
- a = naos, cella (heiligste deel; naos Romeins, cella Grieks)
- b = pronaos (zaal of vestibule vóór de naos)
- c = megaron in engere zin (hoofdzaal, vaak met haard en troon)
- d = epinaos, opisthodomos (achter de naos), posticum
- e = peristylium
Architectonische onderdelen
- Zuilebouw: basement, schacht en kapiteel; schacht monoliet of opgebouwd uit trommels.
- Hoofdgestel / entablement: architraaf, fries, geison, timpaan en sima.
- Veelvoorkomende termen in de Griekse vocabulaire: abacus, acanthusblad, akroterion, architraaf, cannelure, dorisch, echinus, eierlijst, fronton, geison, hoofdgestel, hypotrachelion, ionisch, kapiteel, korintisch, metope, mutulus, plint, riem, schacht, spuwer, stylobaat, taenia, timpaan, torus, trochilus, voluut, zuil.
Ontwikkeling
- Vanaf ca. 1100 v.Chr. vestigden de Doriërs zich rond Sparta; de kunstzinnige Ioniërs vestigden zich in Attica rond Athene.
- Tussen 1100 en 700 v.Chr. ontstond de Griekse stad (polis), die uitgroeide tot centrum van kunst en cultuur.
- Vanaf de 8ste eeuw v.Chr. stichtten de Hellenen koloniën in grote delen van het Middellandse-Zeegebied, wat de verspreiding van bouwvormen bevorderde.
- Rond 500 v.Chr. ontstond in Athene de demokratie; de Perzische oorlogen begonnen eveneens rond 500 v.Chr.
- Na binnenlandse conflicten en de Perzische oorlogen raakte Griekse macht in verval vanaf ca. 400 v.Chr.; in het noorden ontstond Macedonië en onder "Oleander de Grote" (333 v.Chr.) werd het Perzische leger verslagen en ontstond het Hellenisme.
- In 146 v.Chr. werd Griekenland ingelijfd bij de Romeinse provincie Macedonia; in 395 n.Chr. volgde aansluiting bij het Oost-Romeinse Rijk.