Schalie

Schalie is een fijnkorrelig, gelaagd sedimentgesteente van silt en kleimineralen, gevormd door verdichting en uitrichting van klei.

Betekenis

Schalie is een fijnkorrelig, gelaagd sedimentgesteente opgebouwd uit silt en kleimineralen dat ontstaat wanneer losse klei door druk verhardt. De omzetting van losse sedimenten naar vast gesteente bij schalie is een diagenetisch proces waarbij compactie en uitrichting van kleimineralen optreden, en dunne laagjes (laminatie) ontstaan.

Toepassing

Schalie komt zowel in de geologie als in bouwtoepassingen voor.

  • Wordt gebruikt voor platte dakpannen; in Zuid-Nederland worden kleisteen-dakpannen vaak "schalies" genoemd.
  • Levert fossielen: sommige typen, zoals de Posidonia-schalie van Holzmaden, bevatten veel fossielen.
  • Kan als bron dienen voor schaliegas wanneer kleideeltjes met plankton en algen vermengd zijn en onder hoge druk diagenetisch verhardt.

Aandachtspunten

  • Splijting: door de gelaagde opbouw kan schalie relatief gemakkelijk in platte platen gespleten worden.
  • Vorstbestendigheid: sommige kleistenen en leistenen zijn niet vorstbestendig en zijn daardoor ongeschikt voor bepaalde daktoepassingen.
  • Variatie: wanneer schalie vermengd is met kalk spreekt men van kalkschalie; samenstelling beïnvloedt eigenschappen.
  • Industriële toepassing: aanwezigheid van organisch materiaal en plankton in schalie kan aanleiding geven tot gaswinning (schaliegas).

Ontstaan

  • Diagenese: de metamorfose van losse bestanddelen naar vast gesteente wordt diagenese genoemd; schalie is diagenetisch verhard kleisteen.
  • Compactie: het fysisch proces waarbij poriënruimte afneemt en de dichtheid toeneemt.
  • Uitrichten: het evenwijdig gaan liggen van kleimineralen, ook wel parallele oriëntatie genoemd.
  • Laminatie: de opeenvolging van dunne laagjes die de gelamineerde structuur van schalie bepaalt.
  • Verkitting: binding tussen gronddeeltjes door afzetting van leistoffen zoals kalk, ijzerverbindingen of organische stoffen kan bijdragen aan verharding.

Verschil met leisteen

  • Oorsprong: schalie is een door compactie en/of verkitting versteende klei; leisteen ontstaat door metamorfose van kleisteen.
  • Structuur: leisteen is doorgaans compacter dan schalie en laat zelden schilfers los; schalie kan wel eens een schilfer loslaten.
  • Toepassing en duurzaamheid verschillen mede door deze compactheid en vorstbestendigheid.

Termen en benamingen

  • Tonstein: Duitse benaming voor kaoliniet-rijke kleisteenlaagjes, vaak in Carbonische steenkoollagen.
  • Etymologie: de term "schalie" werd al in de 13e eeuw gebruikt (varianten scalie, scaelge, schilfer) en is afgeleid van Oudfrans escaille, verwant aan woorden als schel en schaal.
  • Engels: shale.