Wrijvingsgetal
Het wrijvingsgetal is de verhouding tussen mantelwrijving en conusweerstand, uitgedrukt als percentage.
Betekenis
Het wrijvingsgetal geeft de verhouding weer tussen de plaatselijke mantelwrijving en de conusweerstand bij sonderingen en wordt berekend als percentage. De formule is Rf = (fs / qc) × 100%, waarbij fs de plaatselijke mantelwrijving (MPa) en qc de conusweerstand (MPa) is. Uit het wrijvingsgetal kan een indicatie van de grondsoort worden afgeleid.
Toepassing
Het wrijvingsgetal wordt gebruikt bij de interpretatie van sonderingsresultaten.
- Afleiden van een indicatieve grondsoort op basis van verhouding mantelwrijving–conusweerstand.
- Interpreteren van sonderingsprofielen en vergelijkingen met tabelwaarden.
- Toepassen bij sonderingen waarbij een kleefmantel wordt gebruikt om mantelwrijving te meten.
Aandachtspunten
- Gebruik een kleefmantel bij sonderen om fs te bepalen.
- Drukwaarden fs en qc worden uitgedrukt in MPa; het resultaat is een percentage.
- Relaties zijn indicatief; boven de grondwaterspiegel kunnen grote afwijkingen optreden.
- Tabelwaarden en interpretaties zijn richtwaarden, geen absolute bepalingen.
Eisen / regelgeving
NEN 6740 (behandelde geotechnische eigenschappen) is ingetrokken in 2012. Sinds februari 2013 zijn NEN-EN-ISO 22476 (Geotechniek) en eventueel NEN-EN 1997 van toepassing voor sonderingen en geotechnisch ontwerp.
Indicatieve waarden
Onderstaande indicatieve reeksen zijn afgeleid uit sonderingstabellen en koppelen grondsoort aan conusweerstand (qc) en wrijvingsgetal (Rf). qc in MPa, Rf in %.
- Grind: qc 15–30 MPa; Rf 0,2–0,5 %
- Grof zand: qc 5–25 MPa (meestal > 10 MPa); Rf 0,4–0,6 %
- Zand: qc > 5 MPa; Rf 0,6–1,0 %
- Zand, siltig: qc > 4 MPa; Rf 0,8–1,4 %
- Zand, kleiig: qc > 2 MPa; Rf 1,0–2,0 %
- Leem: qc 1–3 MPa; Rf 2,0–4,0 %
- Klei, vast: qc 0–8 MPa; Rf 2,0–4,0 %
- Klei, matig: qc 0–4 MPa; Rf 3,0–5,0 %
- Klei, slap: qc 0–2 MPa; Rf 4,0–6,0 %
- Potklei: qc 2–5 MPa; Rf 5,0–7,0 %
- Venige klei: qc 0–6 MPa; Rf 5,0–8,0 %
- Veen: qc 0–4 MPa; Rf 5,0–10,0 %