Renaissance

Renaissance is de bouwstijl uit ca. 1450–1600 die de klassieke Romeinse bouwkunst herleeft en de Middeleeuwen afgesloten.

Betekenis

De Renaissance is een cultuur- en bouwperiode (grofweg 1450–1600) die teruggrijpt op klassieke Romeinse bouwprincipes en daarmee de Middeleeuwen afsluit. Ze combineert een herleving van klassieke vormen met eigen interpretaties in architectuur, beeldhouwkunst, schilderkunst en theater. Ontwerpregels, wetenschappelijk onderzoek en het humanisme spelen een centrale rol.

Toepassing

De Renaissance komt voor in vele kunst- en bouwdisciplines.

  • Architectuur: herleving van klassieke elementen, symmetrie en geometrische composities.
  • Beeldhouwkunst: nieuw hiaat voor klassieke beelden naar oud-Romeins voorbeeld.
  • Schilderkunst: grotere realisme, aandacht voor anatomie, kleur en lineair perspectief.
  • Theater: opkomst van komedies en tragedies in plaats van moraliserende religieuze stukken.
  • Gebouwstypen: ontwikkeling van villa's als herenboerderijen en van palazzi met binnenhoven en colonnades.

Aandachtspunten

  • Ontwerpen volgen een vooraf vastgesteld systeem van Romeinse verhoudingen, vormkeuze en bouwvolume.
  • Perspectief werd rond 1430 als wiskundige methode ingevoerd (lineair perspectief).
  • Kunstenaars kregen naam en brede oriëntatie; het ideaal van de "uomo universale" ontstond.
  • Decoratieve bouwelementen zoals waterlijst, kroonlijst en fronton hebben vaak ook een praktische functie.
  • Regionale varianten onderscheiden zich duidelijk in detaillering en ornamentering.

Perioden

De Renaissance wordt doorgaans in drie hoofdperiodes verdeeld:

  • Vroege Renaissance: 1420–1500.
  • Hoog-Renaissance: 1500–1535.
  • Laat-Renaissance of Maniërisme: 1520–1580.

Regionale varianten

  • Hollandse Renaissance (Noordelijk Maniërisme): combinatie van Gotiek en Renaissance; duurde tot circa 1630.
  • Vlaamse Renaissance: regionale uitingsvorm met eigen kenmerken.
  • Engelse Renaissance (Elizabethan era of Shakespeare's Times): circa 1520–circa 1650.
  • Italiaanse Renaissance: gevels vaak sober, strak en klassiek van karakter; contrasterend met de vaak rijker versierde Noordelijke voorbeelden.

Bouwkundige kenmerken

  • Gebouwen bestaan uit heldere geometrische vormen, geaccentueerd door pilasters en lijsten.
  • Pilasters werden vaak boven elkaar toegepast; later kwamen brede doorlopende pilasters voor over meerdere verdiepingen (kolossale orde).
  • Symmetrie en een homogene compositie van het gebouw zijn bepalend.
  • Palazzi kenmerken zich door binnenhoven (cortiles), rondgaande galerijen, colonnades en soms bogen.