Val

Val is een meerduidig begrip dat verschillende bouwkundige en waterbouwkundige constructies, maten en verschijnselen aanduidt.

Betekenis

Val heeft meerdere betekenissen in de bouwkunde en waterbouw: het kan verwijzen naar de overspanningsconstructie of klep van een hef- of ophaalbrug, een valluik of valdeur, de horizontale lengte van een trap (de valling), het plotseling bezwijken van een dijk of oever, of het fenomeen van vallen zelf. Iedere betekenis heeft een eigen functionele rol en toepassingscontext.

Toepassing

Val komt in verschillende situaties voor:

  • Bij hef- en ophaalbruggen als de overspanningsconstructie of klep die vaak één vormt met het wegdek of de rijvloer.
  • Als valluik of valdeur in vloeren en constructies waar een uitsparing afgedekt of afgesloten kan worden.
  • Bij trappen als de totale horizontale lengte die benut kan worden, oftewel de loodrechte projectie van de trap op de vloer (de footprint).
  • In de waterbouw bij dijk- of oeverfalen waarbij een gedeelte van de dijk of oever afschuift.
  • In veiligheidscontexten bij het fenomeen van vallen, gekoppeld aan doorvalbeveiliging en valbeveiliging.

Aandachtspunten

  • Bij bruggen is de val vaak één met het wegdek; de term kan dan ook synonymisch met de rijvloer gebruikt worden.
  • De val van een trap is een horizontale maat: de loodrechte projectie van de trap op de vloer en beïnvloedt de footprint en de toepassing van de trap.
  • Dijk- of oeverval treedt op door afschuiven van grondmassa's; dit kan veroorzaakt worden door zettingsvloeiing, waarbij verzadigde grond zich als vloeistof gedraagt door het wegvallen van de korrelspanning.
  • Bij het algemene verschijnsel van vallen horen maatregelen en begrippen uit de valbeveiliging en doorvalbeveiliging.
  • Vergelijkbare begrippen in de waterbouw zijn onder meer afkalven; terminologische duidelijkheid tussen deze begrippen is belangrijk bij rapportage en analyse.

Specifieke betekenissen

  1. Overspanningsconstructie van een hef- of ophaalbrug: de klep of het val, vaak gelijk aan het wegdek (rijvloer).
  2. Valluik of valdeur: een afsluitbaar luik in een vloer of constructie.
  3. Valling (trap): de totale horizontale lengte die bij een trap benutbaar is, de loodrechte projectie op de vloer.
  4. Dijkval of oeverval: plotseling bezwijken door afschuiven van een dijk of oever, mogelijk door zettingsvloeiing.
  5. Het vallen als gebeurtenis: bijvoorbeeld het vallen op ijs, uit een raam of van een dak, gerelateerd aan veiligheidsvoorzieningen.