Wiel
Een wiel is een diepe plas achter een dijk die is ontstaan door een plaatselijke dijkdoorbraak.
Betekenis
Een wiel is een relatief diep, vaak rond gat in het land direct achter een dijk, ontstaan doordat bij een dijkdoorbraak het binnenstromende water met grote kracht kolkt en materiaal uitschuurd. Het wiel blijft over als het water wegstroomt en vormt een duidelijk reliëf in het verder vlakke landschap.
Toepassing
Wielen komen voor in landschappen met dijken en waterlopen.
- Ontstaan na een plaatselijke dijkdoorbraak waarbij het achterliggende land is uitgespoeld.
- Blijven vaak bestaan als diepe plassen in het landschap.
- Worden bij herstel van de dijk vaak ingesloten door een omringdijk in plaats van volledig gedempt.
Aandachtspunten
- Bij herstel wordt meestal een dijk om het wiel heen gelegd omdat dempen van het diepe wiel veel tijd en energie kost.
- De omringdijk om een funderingsput of dijkdoorbraak (meestal een halve ring) wordt vingerling genoemd.
- Wielen zijn onderdeel van landschapselementen die reliëf geven aan het vlakke land.
Oorzaken van dijkdoorbraak (leidend tot een wiel)
- Afsnijden van bochten door kanaliseren, waardoor minder riviercapaciteit ontstaat en water hoger komt te staan.
- Slecht onderhoud van de dijk, bijvoorbeeld door de dijk in droge periodes niet vochtig te houden of door te grote doorlatendheid (onderloopsheid, piping).
- Ophoping van ijsschotsen tegen de dijk, met beschadiging als mogelijk gevolg.
- Bij schadepatronen en faalmechanismen speelt dijkbewaking een rol bij het herkennen van risico's.
Voorbeeld
- In Eldik (Ochten) werd in 1827 een hogere dijk enkele honderden meters vóór de oude aangelegd; bij een dijkverzwaring in 1989 is deze dijk verbreed en opgehoogd.
Verschil met verwante begrippen
- De termen wiel en weel zijn dialectische nevenvormen van waal; ze duiden allen diepe waterkolken door dijkdoorbraak.
- Het woord kolk kan ook in andere contexten voorkomen (bijvoorbeeld als rioolput) en heeft dus niet altijd exact dezelfde betekenis.