Gewelf

Een gewelf is een gebogen constructie die een ruimte overspant, oorspronkelijk en veelal uitgevoerd in metselwerk.

Betekenis

Een gewelf is een hol gebogen bouwelement dat als overspanning van een ruimte fungeert; het begrip verwijst traditioneel naar constructies in metselwerk. Gewelven verdelen zich in vakken en vormen door hun boogvorm een constructieve manier om belastingen over te dragen, met historische ontwikkeling vanaf de derde eeuw vóór Christus en een prominente rol in de Romeinse bouwkunst.

Toepassing

Een gewelf wordt toegepast als overspanning van een ruimte en kent verschillende historische en typologische uitvoeringen.

  • Overspanning van ruimtes in metselwerk.
  • Bouw van ton-, koepel- en kruisgewelven zoals in de Romeinse periode.
  • Constructie met tijdelijke houten hulpconstructies (formelen) en een netwerk van ribben waarin beton of metselwerk kon worden verwerkt.

Aandachtspunten

  • Zijwaartse druk: rekening houden met de zijwaartse druk die een gewelf uitoefent, bijvoorbeeld bij een tongewelf.
  • Elementherkenning: onderscheiden van kruin, welflijn, aanzet/aanzetlijn en gewelfsleutel voor correcte beschrijving en uitvoering.
  • Kruinlijn: herkennen of de kruinlijn horizontaal is of klimmend dan wel dalend.
  • Sluitsteen: bepalen of het gewelf bovenin eindigt in een gewelfsleutel.

Onderdelen

  • Kruin: het bovenste deel van een gewelf.
  • Gewelfvlakken / gewelfvelden: de vlakken die door graten of ribben worden ingesloten.
  • Gewelfsleutel: de sluitsteen in het midden wanneer het gewelf daar eindigt.
  • Aanzet / aanzetlijn / geboorte: de plaats waar het gewelf of de boogconstructie begint.
  • Welflijn: de welving die het gewelf vormt.

Typen / uitvoeringen

Bekende typen gewelven omvatten onder andere:

  • Boheems gewelf (Boheemse kap)
  • Booggewelf (zie ton- of troggewelf)
  • Cellengewelf (Pruisisch of diamantgewelf)
  • Graatgewelf
  • Hanggewelf (druipgewelf)
  • Kegelgewelf en pseudogewelf
  • Kloostergewelf
  • Koepelgewelf
  • Kruisgewelf
  • Kruisribgewelf (vierdeling en zesdelig)
  • Meloengewelf
  • Muldengewelf (wangewelf)
  • Muqarna (stactietengewelf, honingraatgewelf)
  • Netgewelf
  • Palmgewelf
  • Ribgewelf (o.a. in kruisribgewelf, meloengewelf, netgewelf, palmgewelf, stergewelf, waaiergewelf)
  • Schroefgewelf
  • Spiegelgewelf
  • Steekgewelf (zie steekkap)
  • Stergewelf
  • Tongewelf (inclusief spits tongewelf en vakwerktongewelf)
  • Troggewelf (tamburogewelf, booggewelf)
  • Waaiergewelf

Meest voorkomende voorbeelden die vaak worden genoemd: tongewelf, kruisgewelf, kruisribgewelf, kloostergewelf, muldengewelf, spiegelgewelf, netgewelf en stergewelf.

Historische opbouw

  • Oudste boogconstructies dateren uit de derde eeuw vóór Christus.
  • Romeinen namen boogconstructies prominent over en ontwikkelden gewelven vanaf de tweede eeuw vóór Christus.
  • Romeinse werkwijze omvatte het gebruik van houten formelen waarop bogen van metselwerk werden opgemetseld; deze bogen vormden samen met dwarsverbindingen (ribben) een vakwerk waarin vervolgens 'beton' kon worden gestort.

Etymologie en vertalingen

  • Het woord gewelf is afgeleid van het werkwoord welven (boogvormig maken of zijn); oudere Middelnederlandse vormen zijn verwelft en verwulft(e), met verwelft als oudste vorm.
  • Engels: vault.
  • Duits: Gewölbe.

Zie ook

  • Boog
  • Calotte (kalot)
  • Cimborrio (paraplugewelf, paraplukoepel, meloengewelf)
  • Mudhif
  • Kapconstructies en dakvormen