Sloot
Een sloot is een gegraven, lijnvormige watergang die primair dient om overtollig lokaal water af te voeren.
Betekenis
Een sloot is een lijnvormige, gegraven watergang bedoeld voor de afvoer van overtollig lokaal water, bijvoorbeeld van neerslag of smeltwater. Daarnaast regelt een sloot mee het grondwater in aangrenzende gebieden en fungeert ze als buffer en perceelafscheiding.
Toepassing
Een sloot komt voor in landschappen en agrarische gebieden en vervult meerdere functies.
- Afvoeren van lokaal overtollig water naar hogere of lagere waterlopen.
- Mederegeling van de grondwaterspiegel door aanvoer via gemalen en stuwen.
- Buffercapaciteit bij hevige neerslag.
- Drinkwatervoorziening voor vee: bij hoog water zelfstandig, bij laag water via eenvoudige pompjes die vee kan bedienen.
- Veekering en perceelscheiding.
- Beperkt transport over water (minder gebruikelijk).
Aandachtspunten
- Breedte en diepte volgen lokale ontwerpeisen; veelal ongeveer 2 m breed en circa 0,5 m diep.
- Regelmatig onderhoud en schoonmaken is nodig, vooral waar kroos, riet, bladeren en takken de doorstroming belemmeren.
- Te steile oevers belemmeren kruipende dieren; natuurlijke oevers hebben de voorkeur waar vee niet direct aanwezig is.
- Slootwater kan stil staan en sloten kunnen in warme perioden droogvallen, vooral in hoger gelegen gebieden.
- Het waterschap stemt waterpeilbeheer af op de gebruiksfuncties van een gebied (landbouw, natuur, bebouwing) bij het opstellen van peilbesluiten.
Afmetingen / indeling
- Gebruikelijke breedte: veel sloten rond 2 m; minimale breedte circa 0,5 m; maximale breedte circa 8 m.
- Gebruikelijke diepte: ongeveer 0,5 m; theoretisch minder dan 3 m.
- Wanneer een watergang smaller en ondieper is dan circa 0,5 m wordt die meestal een greppel genoemd.
- Watergangen breder dan circa 8 m worden vaak aangeduid als vaart, tocht of kanaal.
Doorlooppaden en afwatering
- Een sloot watert af op grotere of volgende waterlopen zoals weteringen, beken, rivieren, tochten, kanalen of boezems.
- Afvoer vindt vaak plaats via een gemaal of een bredere waterloop als tussenstap.
- Stuwen en stuwtjes kunnen worden ingezet om de waterstand in de sloot kunstmatig te verhogen of verlagen.
Ruimtelijke en landelijke betekenis
- In veengebieden beslaan sloten een groot deel van het landschap; in sommige veengebieden vormen sloten 10–20% van het oppervlak.
- In Nederland hebben sloten een aanzienlijke omvang met een totale lengte van meer dan 330.000 km, waarmee zij een belangrijke rol in de nationale waterhuishouding vervullen.
Herkomst van de naam
- De term ‘sloot’ is vermoedelijk afgeleid van het woord ‘sluiten’, met de betekenis dat sloten percelen afsloten of van elkaar scheidden.
Verschil met aanverwante termen
- Greppel: doorgaans smaller en ondieper dan een sloot (ongeveer < 0,5 m).
- Vaart/tocht/kanaal: termen voor watergangen die breder zijn dan circa 8 m.
- Zwetsloot: specifiek een grenssloot; kwelsloot verwijst naar een sloot gerelateerd aan kwelwater.