Zuil

Een zuil is een ronde dragende kolom met massieve schacht, voetstuk en kapiteel, die krachten van bogen of lateien opvangt.

Betekenis

Een zuil is een ronde (cilindrische) kolom of drager met een massieve schacht, die op een voetstuk (basement of postament) rust en wordt bekroond door een kapiteel. Algemeen is een zuil een rechtopstaand lichaam met een aanmerkelijk grotere hoogte dan breedte en heeft een dragende functie: zij vangt de krachten op van de boog, latei of vergelijkbare constructie erboven.

Toepassing

Een zuil wordt toegepast in draagconstructies en als architectonisch element.

  • Ondersteunen van bogen, lateien en hoofdgestellen.
  • Dragen van verdiepings- of dakbelasting in hypostyle en galerijen.
  • Vormgeven van gevels en portieken volgens klassieke orden.
  • Delen van brede deurpartijen (trumeau) en vensterindelingen (deelzuiltjes).
  • Integratie als halfzuil of pilaster tegen muren voor zowel esthetiek als ondersteuning.

Aandachtspunten

  • Onderscheid zuil van pijler: een zuil heeft meestal een ronde doorsnede; een niet-ronde drager wordt pijler genoemd.
  • Monolietzuil: bestaat uit één stuk steen in plaats van uit op elkaar gestapelde trommels.
  • Entasis: bij hogere en klassieke zuilen (vooral Dorisch) wordt soms een geringe bolling naar boven toegepast.
  • Basement kan onderdeel zijn van de zuil, maar ontbreekt bij de Dorische orde.
  • Zuilenafstand is de vrije ruimte tussen twee zuilen (niet hart-op-hart).
  • Cannelures kunnen op de schacht voorkomen; ze raken elkaar ofwel met een graat, ofwel met een riem.

Onderdelen

  • Basement (voetstuk/postament), met onderdelen zoals plint, torus, riem en apothesis.
  • Schacht: de doorgaande, massieve romp van de zuil; kan cannelures hebben.
  • Kapiteel: bovenstuk dat de zuil bekroont; kan elementen bevatten zoals abacus, echinus, voluten en acanthusbladeren.
  • Trommels: deelstukken waaruit een zuil opgebouwd kan zijn (tegenover monolietzuil).

Typen / uitvoeringen

  • Cilindrische zuil: klassieke ronde vorm.
  • Pijler: zuilachtige drager met niet-ronde doorsnede.
  • Monolietzuil: zuil vervaardigd uit één steen.
  • Deelzuiltjes: kleine zuilen die ramen of openen in delen scheiden (bijv. bij biforium, serliana).
  • Trumeau: middenzuil of middenpijler van een brede deurpartij.
  • Pilaster (halfzuil): ongeveer halve pilaar die uit de wand voortkomt; onderscheid met liseen en steunbeer wordt vaak gemaakt.