Watergangen
Een watergang is een lang, smal stuk stromend water, al of niet bevaarbaar met boten of schepen.
Betekenis
Een watergang is een lang, smal stuk stromend water, al of niet bevaarbaar met boten of schepen. Stromende wateren worden ingedeeld naar stroomsnelheid (snelstromend bij meer dan 50 cm/s) en naar breedte: bovenlopen (< 3 m), middenlopen (3–8 m), benedenlopen (> 8 m), riviertje (8–25 m) en rivier (> 25 m). Rivieren eindigen doorgaans in estuaria met een beperkt getijverschil voordat zij in zee uitmonden. In laag Nederland monden veel kleinere rivieren uit in kanalen die deel uitmaken van het boezemstelsel; veel beken en riviertjes liggen in het vrij afwaterende deel boven NAP.
Toepassing
Watergangen vervullen diverse functies in het watersysteem.
- Bevaarbaarheid: kanalen, vaarten en sommige waterwegen dienen voor scheepvaart.
- Afvoer en drainage: greppels en sloten voeren lokaal overtollig hemelwater af.
- Opslag en afvoer van polderwater: boezems en tochten dienen als voorlopige berging en afvoer naar buitenwater.
- Draineerfunctie in duingebieden: duinrel/siene voeren (overtollig) duinwater af en kunnen gebruikt worden voor besproeiing.
- Infiltratie en tijdelijke opslag: wadi's gebruiken bodemcapaciteit voor opvang van hemelwater.
- Stedelijke inrichting en verdediging: grachten en singels vormen waterlopen rond steden of landhuizen.
Aandachtspunten
- Onderscheid op basis van stroomsnelheid en breedte is belangrijk voor classificatie en benaming.
- Niet alle watergangen zijn bevaarbaar; sommige zijn droogstaand of slechts seizoensgebonden stromend.
- Sommige typen zijn natuurlijk, andere zijn aangelegd of door de mens beïnvloed (bijv. spreng, kanaal).
- Een vijver is geen watergang maar kan wel in verbinding staan met watergangen en zo onderdeel van het watersysteem vormen.
- Termen zoals waterweg, watergang, waterloop en vaarweg worden in de praktijk als synoniemen gebruikt, maar kunnen verschillen in bevaarbaarheid en omvang.
Voorbeelden / typen
- Beek: smal, ondiep en meer of minder natuurlijk stromend water dat overal doorwaadbaar is.
- Boezem: stelsel van waterlopen en meren voor voorlopige berging van polderwater, waarna lozing op buitenwater plaatsvindt.
- Duinrel / siene: gegraven of natuurlijke watergang in duingebied om overtollig duinwater af te voeren, soms voor besproeiing.
- Gracht: kanaal vooral rond of door een stad of om een vesting/landhuis.
- Greppel: lange, smalle en ondiepe uitgraving om hemelwater af te voeren naar sloten.
- Kanaal: gegraven waterweg van enige omvang, meestal bestemd voor scheepvaart.
- Rivier / riviertje: natuurlijke watergang ontstaan uit bronnen en samenkomst van beken, eventueel gevoed door regenwater.
- Singel: aangelegde waterloop binnen stedelijke bebouwing (stadsgracht).
- Sloot: lijnvormige, gegraven watergang voor lokaal afvoeren van overtollig water.
- Spreng / sprengenbeek: door de mens beïnvloede of gegraven beek, bedoeld om bronwater te vervoeren.
- Tocht / poldervaart: poldervaart of hoofdafwateringskanaal van sloten in een polder naar groter water of gemaal/sluis.
- Vaart: tocht die (ook) voor scheepvaart werd of wordt gebruikt.
- Veenstroom: voormalige natuurlijke waterloop in een veengebied.
- Wadi: infiltratiesysteem dat bodemopslag benut voor opvang en tijdelijke bewaring van hemelwater.
- Wetering: natuurlijke of aangelegde langgerekte waterloop of brede gegraven afwateringskanaal.
- Zwet / zwetsloot: grenssloot met historische functie als akkerafscheiding en ontginningsrestant.